Roxane van Iperen – De genocidefax

Eigen volk eerst – maar welk volk?

Roxane van Iperen licht met dit essay een afschuwelijke periode uit de geschiedenis van Rwanda. Op 6 april 1994 botsen de twee grootste inheemse stammen, de Hutu’s en de Tutsi’s, zoals u zich misschien nog uit de krantenkoppen herinnert, op elkaar. Preciezer: de Hutu’s hakken in op de Tutsi’s. De Hutu’s hebben in het geheim een masterplan voorbereid waardoor ze bij verrassing het Tutsi-deel van de bevolking kunnen overvallen en een kopje kleiner maken, letterlijk en zonder genade.

Hoe kon dat in een land waar decennia lang bevolkingsgroepen in een min of meer vreedzame co-existentie leefden? Extreem gewelddadig was het: van de Tutsi-gemeenschap werden een kleine 200.000 mensen afgeslacht. Letterlijk armen en benen afgehakt met machetes, bijlen en andere scherpe voorwerpen. Daarnaast werden vuurwapens gebruikt, indien voorhanden, wat het bloedbad alleen maar groter maakte.

En onbegrijpelijker. Vooral over die ongerijmdheid essayeert van Iperen: waarom doen mensen mee met schadelijk groepsgedrag waardoor die ene of juist de andere bevolkingsgroep getermineerd moet worden? Ze trekt de parallellen van ‘de angst voor uitsluiting’ in een groep door naar het lot dat klokkenluiders die buiten die groep treden bijna altijd treft: verstoting en straf. Ook de toeslagenaffaire is niet vrij geweest van dit soort invloeden, die in de hand werkten dat de Belastingdienst te laat en de regering nog veel later ingreep.

Ondertussen in 1994 trekken in Rwanda de extremisten rücksichtlos dodend en verminkend door het land. Een grote rol is hier weggelegd voor de Hutu Power beweging, die al jaren alle Tutsi-burgers op een doodlopend zijspoor wil zetten. Maar waarom die haat na jaren succesvol samenleven met de andere groepen? Van Iperen laat zien hoe de Belgen hier niet de enige maar wel de eerste blaam treffen. Het is het al te vaak vertelde verhaal over uitbuiten, misleiden en leegroven van ontwikkelingslanden.

“Sinds België in 1916 Rwanda had veroverd en er in 1924 van de Volkerenbond het mandaat over had verkregen, was ‘het land van de duizend heuvelen’, zoals er zo lieflijk naar werd verwezen, vooral een betrouwbare melkkoe gebleken…

Tot dat moment leefde de Rwandezen in clans die bestonden uit drie sociale groepen, binnen een hiërarchie gebaseerd op land en eigendom. De meerderheid bestond uit (Ba)Hutu (90 %), vooral boeren die op akkers werkten, en (Ba)Tutsi (9 %), veelal veehouders met een hoger aanzien… en Twa (1%), een pygmeeënvolk.

Men woonde naast elkaar, had dezelfde taal en cultuur en trouwde onderling. Boven alles identificeerde de bevolking zich als Banyarwanda: de mensen van Rwanda.”

Maar – er is altijd een ‘maar’ die stront aan de knikker inluidt – met de komst van de Duitsers in 1989 en daarna de Belgen kwam het evolutionisme in zwang: verschillende volken bevinden zich op verschillende punten van beschaving, van wilden tot barbaren tot ontwikkelden. Belgische ambtenaren hadden tot taak de fysieke kenmerken van de burgers te meten: van de breedte van neusvleugels tot de vorm van het aangezicht.

Conclusie: de Tutsi’s leken evolutionair het meest op Europeanen. Een rassentheorie was geboren, een handig instrument trouwens waar slinkse hedendaagse politici opnieuw naar lonken. Voor Rwanda luidde het een fataal schisma in dat een Tutsi-elite creëerde die het overige deel van de bevolking aanstuurde, het land verdeelde, haat zaaide en in de vijftiger jaren al tot een geweldsexplosie leidde. Maar dan met heel veel vermoorde Hutu’s.

In 1959 vertrekken de Belgen en

“laten een land achter met geïnstitutionaliseerde, diep ingesleten en op individueel niveau vastgelegde etnische haat en groepsrivaliteit. Een verdeeldheid die in Tutsi Paul Kagama en Hutu Théoneste Bagarosa voortwoekert en tweeëndertig jaar later een strak georganiseerde apotheose beleeft, die door de buitenwereld zal worden afgedaan als een spontane slachtpartij tussen rivaliserende stammen.” 

Na al die zware details hebt u, lezer, hopelijk genoeg informatie en nieuwsgierigheid om de rest van het essay te gaan lezen. Hierin interviewt van Iperen de VN-afgevaardigde Roméo Dallaire. Kort gezegd was hij in Rwanda de vertegenwoordiger van het Westen, en als zodanig werd hij ook gemangeld tussen de in 1994 spelende krachtenvelden.

Ter plekke signaleerde hij alle seinen die op rood sprongen, de druipende haat, het dreigende geweld. Hij stuurde een fax, de fax die later de genocidefax is gaan heten, aan het VN-hoofdkwartier en smeekte om hulp omdat het uit de hand dreigde te lopen. Maar vanuit de VN kwam er niets. Helemaal niets. Waarom? Dat maakt van Iperen duidelijk. Komt ze daarbij tot interessante conclusies? Absoluut.

Sterren: ***

ISBN: 9789059655478

Uitgeverij: CPNB

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *