Recensies van actuele boeken

Nadav Vissel – Het grote niets

Met kinderogen kijken naar de gevolgen van de Holocaust

‘Cynisme geef je door, dat wilde ik niet doen,’ aldus schrijver Nadav Vissel in Het Parool over zijn roman ‘Het grote niets’.

Dat niet doorgeven van cynisme is goed gelukt: de hoofdtonen in deze roman zijn humor, begripsverwarring en ongemakkelijkheid. Logische zaken in het leven van een jongetje. Sterker: voor een jongetje dat opgroeit in een Joodse familie. Sterker en specifieker: voor een jongetje dat opgroeit in een Joodse, door oorlogsgebeurtenissen akelig beschadigde familie.

Een deel van Vissels familie werd namelijk tegen het einde van de oorlog gedeporteerd naar Westerbork. Gelukkig voor hen waren er tegen die tijd geen verdere deportaties naar Auschwitz meer, zodat ze levend terugkeerden in Nederland. Levend, maar van een normale familie was na de oorlog geen sprake meer. Te veel gezien, te veel meegemaakt.

In een spervuur van emoties groeit Naff (zoals hij in het boek heet) op. De sfeer is erg goed neergezet:

“Zolang ik me kan herinneren, hing er een ‘Ding’ bij ons in de kamer… Ik voelde al van jongs af aan dat het er was, alleen hing er een waas van geheimzinnigheid omheen… Het begon met een fotoboek…Mevrouw Cohen was wat schichtig en nerveus en bleef aan de andere kant van de tafel staan. Ze aaide met haar hand over een fotoboek… Op de voorkant stond een foto van mannen in zwarte pakken die in een kuil stonden. Soldaten keken vanaf de rand op ze neer. Van soldaten wist ik op die leeftijd wel wat het waren. Van de mannen in de zwarte pakken in de kuil had ik tot dat moment niets geweten, en waarom ze in een kuil hadden gestaan ook niet.”

De zevenjarige Naff is een clever jochie dat allang door heeft dat de mensen in zijn familie wel heel vreemd reageren, alleen het waarom heeft hij nog niet uitgevogeld. Hij is echter behalve slim ook ongeremd in zijn vragen, erg rechtdoorzee, duidelijk, helder. Die eigenschappen maken de vragen die hij op de familieleden afvuurt veel te expliciet, rijten oude wonden open, brengen herinneringen naar boven die beter beneden kunnen blijven, en verstoren de moeizaam opgebouwde daar-praten-we-niet-meer-over consensus tussen de familieleden.  

Op een wrang-grappige manier komt zo de beladen geschiedenis van zijn familie aan het licht. De kleine Naff kan goed tekenen én verhalen vertellen; helaas zijn ook die teksten/tekeningen te confronterend voor zijn familieleden. Idem voor de schooljuf die hij treft als ze naar een ander dorp verhuizen.

Vissel treft op veel manieren de juiste toon in dit boek. Vanuit de beleving van Naff beschrijft hij humoristisch/subtiel diens nog grotendeels ongevormde omgevingsbewustzijn. Ook de vastbeslotenheid van de jongeman om met zijn tekst en tekeningen ‘iets’ te doen komt prima naar voren. De eerste ervaringen op seksueel gebied, de volwassenen die hem slecht begrijpen en wederzijds: het wordt allemaal in een prima leesbare stijl beschreven. Ook de krampachtigheid van de familieleden om het vooral niet over de oorlog te hebben is goed neergezet. De arme beschadigde zielen van hen die de oorlog hebben overleefd zullen met zwarte vlekken op hun aura hun leven moeten voortzetten. De galgenhumor die daaruit voortkomt, tragikomisch zoals in de beste Joodse traditie, is het smeermiddel in dit verhaal en maakt het onzegbare draaglijker.

‘Ik wilde opschrijven hoe een naoorlogs kind opgroeit in een Joods gezin dat de oorlog heeft meegemaakt, en de absurde aspecten van zo’n thuissituatie,’ zegt Vissel tenslotte in het Parool-interview. Ook dat is, kunnen we beamen, dik voor mekaar.

Sterren: ****

ISBN: 9789044978650

Uitgeverij: Signatuur

Ook verschenen op Hebban en De Leesclub van Alles 

 

Christina von Dreien – Uiteindelijk komt alles goed

Bewust vrede scheppen

Christina von Dreien (2001) is één van die jonge mensen die de wereld gaat verbeteren. Dat is zo te lezen het streven, maar misschien is de uitvoering minder eenvoudig dan het klinkt. Zo dient bijvoorbeeld Greta Turnberg de klimaatontkenners op stevige manier van kritiek, maar dat lost de wereldwijde vervuiling/opwarming niet op zolang we nog geen vuist kunnen maken tegen onbekommerd gif in zee dumpende industrieën. Christina von Dreien laat op een ander vlak haar stem horen: ze vertelt hoe we zelf een volmaakte wereld kunnen scheppen.

In dit boek vertelt ze hoe zij tegen het huidige tijdsgewricht aan kijkt. Uitgeverij Akasha bracht het boekje uit. Subtitel: “Hoe we zelf een volmaakte wereld kunnen scheppen.” De teksten ‘komen voornamelijk uit het seminar in Salzburg van 29 augustus 202 en zijn aangevuld met fragmenten uit andere seminars en Christina’s nieuwsbrieven.’

Christina is wat onze gepensioneerde meesters van de typetjes Kees van Kooten en Wim de Bie een ‘positivo’ zouden noemen. Ze heeft het weldadige vermogen om van alles de zonzijde te zien, om zware zaken licht te maken. Dat treft want er is veel werk te doen, onze aardbol is anno 2021 namelijk met een plaag overspoeld die Corona heet. Een plaag die voorlopig nog niet van plan is weg te gaan ook. Ze zegt er het volgende over:

“In tijden zoals deze kan het ons veel hoop en vertrouwen geven als we onszelf eraan blijven herinneren dat we niet alleen zijn, maar dat er overal heel veel mensen zijn die, net als wij, de wereld willen helen, en dat deze volmaakte wereld er ook zal komen. Want één ding is zeker: dit is niet het einde van de wereld en uiteindelijk komt alles goed. De kracht van onze gedachten kan samen met de energie van onze gevoelens de hele wereld in positieve zin veranderen. Als genoeg mensen op Aarde tegelijkertijd slechts één dag tevreden zijn met hun leven, zal het hele negatieve systeem ineenstorten. Alles kan van het ene op het andere moment veranderen.”

Dit is de kern van haar betoog. In de rest van het boek wordt die boodschap vaak herhaald en is steeds dezelfde: laat je niet bang maken. De ‘verhalenvertellers’ proberen je bang te maken zodat je hun opgelegde regels en verordeningen volgt (wat ‘hun’ beweegredenen zijn verduidelijkt ze jammer genoeg niet). Als je in ‘hun’ praatjes meegaat, word je negatief en kun je dus niet samen met alle andere optimisten genoeg optimisme uitstralen om de huidige deplorabele toestand in de wereld te stoppen.

Waarschijnlijk, hopelijk, bedoelt ze het goed. Als iedereen positiviteit zou uitstralen, is de wereld een betere plek. Dat lijdt geen twijfel. Maar of daarmee een hardnekkig & dodelijk virus verdwenen is? Het is de vraag of je met dit soort omfloerste taal de mensen niet juist in de ontkenning jaagt. Of in de armen van virusontkenners/complotdenkers.

Komaan, we gaan ervan uit dat Christina het goede beoogt. Ze toont in elk geval moed en dat kan niet elke politicus zeggen. Haar boodschap is die van liefde, van vriendschap, van vreugde. Dan hoeven we alleen maar blij zijn met ons eigen leven, één hele dag. Maar wel allemaal tegelijk. Oké, wie begint met aftellen?

Sterren: ***

ISBN: 9789460152054

Uitgeverij: Akasha

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Bertram Koeleman – Het dreigbed

Langzaam onder de huid krauwend onbehagen

Zelden dekte een boektitel beter de lading. Niet alleen geeft het woord ‘dreigbed’ een vuig sudderende ondertoon van naderend onheil aan; ook de samentrekking van ‘dreigen’ en ‘bed’ bruuskeert het veilige nestgevoel dat een bed zou moeten bieden door het, nou ja, dreigende dat het eerste woord in zich heeft. Daarnaast is ‘dreigbed’ een onbekend woord, een neologisme, wat de nieuwsgierigheid alleen maar aanjakkert.

Hooggespannen verwachtingen derhalve voor ‘Het dreigbed’, dat ook het eerste verhaal in de bundel is. De lezer is te gast in een gezin waar aan de eettafel enige spanning heerst. Wat heet: de moeder probeert tevergeefs de orde te handhaven bij het oorlogszuchtige gedrag van de kinderen ten opzichte van elkaar. Van het ene kind komt een buitensporig negatieve reactie, de moeder hoopt op een correctieve houding van de vader maar die laat het afweten. Zoals gewoonlijk. De verhoudingen zijn duidelijk: dit is de gebruikelijke frustratie waar beide ouders tegenaan lopen.

Dat kan niet lang goed gaan. De spanning in het gezin stijgt rap, maar de verrassing hier is dat het geen psychologische maar een ander soort spanning is. In een paar minuten wordt iets dat leek afgestorven weer levend maar dooft door externe invloeden net zo snel weer uit, wat het frustratieniveau tot gevaarlijke hoogten opjuint. Hoe dat afloopt verklappen we niet maar wees gerust, de lezer wordt niet teleurgesteld.

Een ijzersterk begin, en eigenlijk –gek als het klinkt – is die eerste zinderende vertelling te goed. In een verhalenbundel is altijd één verhaal het beste en één het slechtste, en daar tussenin zweven de andere. Met dat vreemde psychologisch alle kanten op gaande eerste verhaal en de verrassende ontknoping is een hoge lat gelegd. Het duurt meer dan de helft van het boek voor een volgend verhaal weer dat niveau haalt. Dat is overigens geen kritiek, zelfs Hemingway schreef niet alleen topverhalen.

Het volgende verhaal van dat hoge beginniveau is “Aantekeningen over schrijven – een verhaal”. Hier benadert Koeleman het ‘vak’ schrijven vanuit de insider:

“Lange tijd wilde ik niet schrijven over het schrijven. Dat heeft vooral te maken met het sterk onbewuste element van mijn proces. Meestal begin ik vanuit een beeld of een zin. Waar dat beeld of die zin vandaan komt, is ook voor mij vaak onduidelijk…

Maar het idee om dat abstracte proces concreet te maken begon me te fascineren. In mijn doorwaakte nachte bleef ik maar malen: wat gebeurt er nou eigenlijk in dat hoofd wanneer ik aan het schrijven ben? …”

Vervolgens legt hij alle elementen van het schrijfproces onder de microscoop. Langzaam de spanning opvoerend laat hij zien hoe associaties leiden tot zijsprongen of nieuwe gedachten, hoe ingrijpend de keuzes zijn die de schrijver moet maken – elk woord leidt tot een ander woord, en je moet verrekt goed weten waar je heen wilt en wat je eigenlijk wilt zeggen om je verhaal rond te krijgen. Verplicht leeswerk voor elke beginnende schrijver, dit.

Nog een afzakkertje, qua lichtend voorbeeld? Oké, ‘De missie’ dan. Dit zou weleens de geschiedenis in kunnen gaan als het ultieme oorlogsverhaal. Verhalen over, in en door de oorlog kennen we natuurlijk maar al te goed. Maar op deze missie gaat de protagonist wel heel diep. Zo diep dat wij als lezer alle ongerijmde en ridicule aspecten van een oorlog meemaken.

‘Patience’, zoals onze held genoemd wordt, is een door de wol geverfde soldaat. Hij doet zijn werk alsof hij een timmerman is, of een accountant, maar dan met zijn automatische wapen en in een militaire outfit. Het verslag van de omzwervingen van ‘Patience’ kan het best zelf gelezen worden, voor de impact, als we ons een oorlogsuitdrukking mogen veroorloven, welke impact niet gering is. Koeleman voert ons langs alle aspecten van de idioterie van oorlog: het vechten, de chaos tijdens een aanval, de angst voor de dood, de onverschilligheid die een ervaren soldaat bevangt na te veel missies, de ongerijmde beslissingen die een legerleiding ergens ver weg jou als blind gehoorzame commando oplegt, dat dus.

Vakwerk. En snel gaan lezen die bundel.

Sterren: ****

ISBN: 9789025458072

Uitgeverij: AtlasContact

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Ramsey Nasr – De fundamenten

Ramsey Nasr – De fundamenten

Hebzucht, onvermogen en een nieuw begin. Misschien.

Dit boek is bescheiden in zowel formaat als dikte. Het zou zomaar in je binnenzak, handtas of broekzak passen om mee te nemen en op ongeregelde tijden open te slaan en een stukje hardop te lezen. Dat is met klem aan te raden want het staat barstensvol wijze woorden.

Een fijne boodschap is het echter niet die Ramsey Nasr ons hier brengt. Au contraire, mon cher. In klare taal: de wereld gaat naar de ratsmodee en wij overleven het niet. De mensheid parasiteert al eeuwenlang op onze mooie blauwe bol (blauw ja, vanuit de ruimte gezien) en zo langzamerhand komt het einde van alle bronnen, de natuur, het voedsel, de lucht en het water in zicht. Waarbij je ‘langzamerhand’ eigenlijk moet lezen als ‘bliksemsnel’.

Klinkt dat verontrustend? Zo is het ook bedoeld. Nasr zat, net als iedereen in Corona-lockdown en gaf in een drietal essays woorden aan zijn gedachten. De essays verschenen in NRC Handelsblad. Dat hij tijd genoeg had om zijn bezorgdheid puntig te verwoorden, wordt duidelijk bij lezing. Met een logisch opgebouwd verhaal geeft hij inzicht in de huidige toestand in de wereld, de levenshoudingen die daarvoor verantwoordelijk zijn, en het onplezierige vooruitzicht dat aan de horizon wacht als we blindelings doorgaan zoals we doorgaan.

Als het daarbij bleef, was dit een ‘gewoon’ analytisch boek zoals er meer zijn. Nasr gebruikt echter zijn formidabele taalgevoel (en vileine humor) om zijn punten te maken, inclusief verwijzingen naar economen, filosofen en marktwerkingdenkers. In de inleiding legt hij Boccaccio’s boek over de pest Decamerone naast de huidige Covid pandemie, die daar raakvlakken genoeg mee heeft. De Decamerone kwam weer in de publiciteit toen theatergezelschap ITA tijdens de pandemie besloot dat verhaal in delen voor te lezen in de Amsterdamse stadsschouwburg. Hij deed zelf de aftrap – en kwam los uit zijn lethargie.

In de tekst van het boek is mooi te zien hoe op dat punt het nadenken op gang kwam. Eerst over de belangrijkheid van kunst:

“De laatste keer dat dat gebeurde was in 2010. Toen waarde weliswaar geen virus maar wel Halbe Zijlstra door het land, ons eigen mislukte plurkenplaagje. Het kabinet Rutte 1 kondigde in dat jaar vernietigende bezuinigingen aan op kunst en cultuur, waardoor de sector gedwongen werd zich de Grote Bestaansvraag te stellen. Wat is dat, kunst? Wat is onze toegevoegde waarde? Ik herinner me pleidooien … waarin gewezen werd op de grote economische waarde van kunst of op haar veronderstelde nut voor de samenleving. Terwijl haar kracht nu juist ligt in het ontbreken daarvan.”

En door naar de huidige politieke situatie. We lezen over een politiek klimaat dat ons allemaal overkomen is de afgelopen jaren. Een klimaat dat zorgt voor bezuinigingen op essentiële onderdelen in de maatschappij, dat een zekere toeslagenaffaire mogelijk maakt, en niet in de laatste plaats de ongebreidelde winsthonger van aandeelhouders. En de daarmee samenhangende kansloze banen aan de onderkant van de maatschappij.

Geen fijne leeskost,  maar wel noodzakelijk om te snappen hoe het zit. En hopelijk ook een incentive te geven om te bepiekeren hoe het verder moet. Nasr steekt met dit ideeënboek een thermometer in de fundamenten van een koortsige wereld, en de uitslag noopt tot stevig nadenken. Liefst een beetje snel.

Sterren: ****

ISBN: 9789403135311

Uitgeverij: Bezige Bij 

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Stephen King – Later

Subtiel verhaal met net te weinig suspense

Stephen King fikst het weer: een nieuw boek in zijn steeds verder expanderende universum. Ook na zijn zeventigste verjaardag schrijft de man nog alsof de duivel hem op de hielen zit. Wat misschien niet ver van de waarheid is, gezien zijn gebruikelijke horrorgerelateerde onderwerpkeuze.

Op de horror komen we nog terug. Eerst het verhaal. Dat gaat over Jamie Conklin, een jongeman die is geboren met een bovennatuurlijke gave. Hij leeft samen met zijn moeder in een appartement en samen balanceren ze op de rand van een faillissement. Mama houdt net het hoofd financieel boven water als literair agent. Jamie op zijn beurt ‘ziet’ dingen: ‘I can see dead people’ is voor de filmkenner een bekend citaat, en voor Jamie ook.

Dode mensen zien is voor een kind nogal angstaanjagend. Het moment waarop Jamie ontdekt dat hij die gave heeft, beschrijft King excellent. Jamie en zijn moeder lopen de trap op naar de tweede verdieping van hun appartementengebouw. Ze moeten langs het appartement van mevrouw en meneer Burkett. Jamie merkt dat er iets mis is, want meneer Burkett rookt een sigaret en dat doet hij normaal nooit. Hij staat samen met zijn vrouw voor de deur.

“Mevrouw Burkett droeg een nachtpon en had niets aan haar voeten. De nachtpon was behoorlijk dun. Ik zag bijna haar hele hebben en houden erdoorheen. Meneer Burkett had geen aandacht voor mij…’Tia, ik heb verschrikkelijk nieuws. Mona is vanochtend overleden.’…

Mama nam hem net zo in zijn armen als ze met mij deed als ik me had bezeerd… Op dat moment begon mevrouw Burkett tegen me te praten. Ze was moeilijk te verstaan, maar niet zo moeilijk als sommige anderen, omdat zij nog betrekkelijk jong was… Mevrouw Burkett zei: ‘Als hij niet uitkijkt, schroeit mijn man straks je moeders haar met zijn sigaret.’”

Een interessant uitgangspunt voor een verhaal, al heeft het iets weg van die film. King weet er toch een aardige draai aan te geven. Het is namelijk niet alleen huiveringwekkend als je met doden kunt praten, het heeft ook voordelen. Voordelen die anderen goed kunnen gebruiken. Als Jamie namelijk vragen stelt aan de doden, kunnen ze niet liegen. De allereerste die gebruik/misbruik maakt van Jamies onverwachte krachten is zijn moeder, wel met een goed doel, namelijk hun eigen deplorabele financiële situatie opkrikken. Zij laat Jamie met een net overleden bestsellerauteur praten die zij vertegenwoordigt, en hem vertellen wat hij wilde schrijven. Zo krijgt mama de plot van het nieuwe boek van de sterauteur in handen. En kan ze het boek zelf schrijven, c.q. de duizelingwekkende inkomsten opstrijken.

Jamie is door King heel goed neergezet. De recht-voor-zijn-raap taal van met name de jonge Jamie komt levensecht over. Complimenten overigens voor de puike vertaling, die voornoemde taal perfect overzet in het Nederlands.

Dan over de horror. Onzegbare, duivelse krachten die om de hoek lurken is het handelsmerk van King, zo ook hier. Niet alle dode mensen zijn namelijk vredig gestorven, noch hebben een bestaan geleid met een onberispelijk strafblad. Dat weten meerdere mensen, mensen die ook volgaarne gebruik willen maken van Jamies diensten. Goedschiks of kwaadschiks.

In die richting ontwikkelt het plot zich al snel, en helaas wordt het verhaal hier ook enigszins voorspelbaar. Waar het sterk begon met de in het duister tastende en zich langzaam zijn ijzingwekkende noodlot realiserende Jamie, zakt het halverwege langzaam in. Wat op het niveau van King toch wel weer goed genoeg is om te lezen, al is het maar omdat je wilt weten wat het kippenvelopwekkende einde zal zijn.

Sterren: ***

ISBN: 9789022592809

Uitgeverij: Boekerij 

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Rutger Bregman – De meeste mensen deugen

Homo homini ovis

Het is een niet gering statement dat Rutger Bregman hier maakt, een donderslag bij heldere hemel, een enorme steen van grote hoogte in een rimpelloze vijver: de meeste mensen zijn moreel oké. 

Dus mensen deugen. Bij het verwerken van die stelling popt veel beeld en geluid op. Bijbelse taferelen van gekruisigde misdadigers; Romeinse legerleiders die meedogenloos volkeren afslachten; Atilla de Hun die hetzelfde deed; Monty Pythons ‘no one expects the Spanish Inquisition’; de 1e, 2e en 3e (of is die nog niet geweest?) Wereldoorlog; Pol Pot, Ted Bundy, Stalin. En die mensen zouden wel OK zijn?

Bregman gaat al deze donkere episoden en de figuren die ze veroorzaken virtueel langs, op zoek naar tegenvoorbeelden. Dat is in essentie wat hij doet: het bekijken van een vaststelling, onderzoeken hoe en waarom die vaststelling tot stand kwam, en het tegendeel bewijzen. Met de vasthoudendheid van een hongerige tijger bijt hij zich vast in de materie en het resultaat is op zijn minst onverwacht.

Zo bekijkt hij psychologische experimenten die in de loop van de geschiedenis zijn gehouden, die allemaal concluderen dat mensen ten opzichte van elkaar roofdieren zijn. Het beruchte experiment in de kelder van de Universiteit van Stanford voorop. Daar werd een groep willekeurige mensen verdeeld in bewakers en gevangenen, welke machtsverdeling door de bewakers werd misbruikt door de gevangenen te kleineren. Het is inmiddels breder bekend geworden dat de leider van dat experiment de resultaten naar zijn hand zette. En belangrijker: dat de deelnemers helemaal geen zin hadden in die scheve machtsverdeling. Punt voor Bregman.

Idem bij Stanley Milgram en de schokmachine. Ook zo’n oude bekende: vrijwilligers mochten mensen aan de andere kant van de lijn elektrische schokken geven. De vrijwilligers konden de mensen aan de andere kant niet zien, alleen horen. Dat de toedieners van de schokken steeds verder gingen, ook al werden de pijnkreten aan de andere kant alarmerend, is inmiddels ook achterhaald. De opsteller van het experiment had de feiten niet helemaal juist weergegeven.

Dit is allemaal nog verklaarbaar. Maar het serieuze werk begint bij het hoofdstuk: “Hoe verklaar je Auschwitz?”

De vraag stellen is hem beantwoorden. Als er één schrijnend voorbeeld is van misdaden tegen de menselijkheid, zijn het wel de concentratiekampen van de Nazi’s. Daarnaast blonk het Duitse leger uit in oorlogsvoering. Waren de Duitsers zo verdorven en gek op vechten? Kun je dat verklaren?

Een voorbeeld uit het boek. De jonge psycholoog Morris Janonitz kreeg de taak het moreel van de Duitsers te onderzoeken.

“Al sinds het begin van de Tweede Wereldoorlog waren de meeste psychologen ervan overtuigd dat één factor de gevechtskracht van een leger het sterkst bepaalt: ideologie… De Duitsers moesten volgens de experts wel bezeten zijn… Dat zou ook verklaren waarom ze veel harder vochten dan de Britten en de Amerikanen. Historici stelden na de oorlog vast dat een gemiddelde soldaat van de Wehrmacht 50 procent meer slachtoffers maakte dan een soldaat van de geallieerden….

Wekenlang interviewde de jonge Morris de ene na de andere Duitse krijgsgevangene… Nee, ze waren niet gehersenspoeld. Uiteindelijk was er een veel eenvoudiger reden, vertelden ze, een simpele verklaring voor de bijna bovenmenselijke prestaties van het Duitse leger.

Kameradschaft.

Vriendschap.

Uiteindelijk vochten ze voor hun makkers, die ze niet in de steek wilden laten.” 

De Duitsers waren dus niet zozeer monsters als wel goede vrienden van elkaar. Dat verklaart Auschwitz voor een deel, maar niet helemaal. Toevallig zat Bregman niet lang geleden in een talkshow en werd gevraagd of hij de mensheid positief bekijkt.  ‘Eigenlijk hebben we die plicht wel,’ antwoordde hij. Als een soort contrapunt voor alle ellende in de wereld misschien?

In de loop van zijn boek behandelt Bregman nog vele andere zaken als De Verlichting, de Homo Ludens, en hoe thee te drinken met terroristen. Dat brengt ons buitengewoon interessante inzichten die zijn stelling telkenmale onderbouwen dat de mens zijn medemens niet haat maar liefheeft. We zijn in ons diepste wezen een zachtaardig wezen, een homo puppy. Die hoopvolle gedachte moeten we dan maar koesteren.

Sterren: ****

ISBN: 9789082942187

Uitgeverij: de Correspondent BV

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Katrijn Joris – Inwijdingsweg van een priesteres

In dienst van de Grote Moeder

Het is een wonderlijk maar intrigerend verhaal dat Katrijn Joris hier vertelt. Terugkijkend op haar leven – ze is in 2021 op haar pensioengerechtigde leeftijd, uitgaande van de genoemde geboortedatum in haar verhaal – vertelt ze chronologisch over de groeifases die ze in haar leven heeft meegemaakt. De episoden die leidden tot wat ze nu is: een Priesteres.

Dat verdient nadere explicatie, beginnend bij het begin, haar geboorte. Ze beschrijft hoe ze is ‘geland in mama’s buik’. Dat is met de meeste mensenbaby’s zo, maar haar zienswijze gaat iets dieper:

“Dan keert mijn bewustzijn terug van waar ik vandaan kom. Gedragen door zachte wolkenarmen en slierten en slingers van licht, verlaat ik dan mijn thuiskamertje van vlees en bloed en laat ik mij glijden op stralen en golven van wit, geel en schitterend lichtblauw licht. Recht naar de diep donkerblauwe, duistere ruimte die zich opent en mij liefdevol ontvangt zoals alleen maar een verdwaald, dolend, verloren, zoekend kind opgevangen kan worden door de hemelse Moeder en Vader.

Daar, waarnaar ik dan terugkeer, zijn Vader en Moeder één…. Bewustzijn ben ik; puur bewustzijn dat gevormd wordt tot een tijdloze ziel.”

Een bloemrijke beschrijving, daar valt niets op af te dingen. De inhoud is een andere zaak. Hier komen we in aanraking met het esoterische gedachtengoed dat alles één is. Het leven en de dood zijn samen een holistisch geheel waarin geboren worden, leven en sterven een cyclus vormen om in het ondermaanse leven ervaringen op te doen. Voor die visie is wat te zeggen, en al deelt niet iedereen hem, het is interessant genoeg om er kennis van te nemen.  

Katrijn beschrijft de babystapjes die aan het begin staan van de Inwijdingsweg waar de titel naar verwijst. Ze komt op die Inwijdingsweg terecht op een rustige manier, na een half leven van andere zaken aan haar hoofd. Na een druk bestaan in de media krijgt ze steeds meer signalen dat er meer moet zijn.

Als ze op zoek gaat, komt ze in aanraking met zaken die haar echt interesseren en kiest ze er uiteindelijk voor om haar hart te volgen. Ze laat zien hoe specifiek haar leven zich in deze holistische richting heeft ontwikkeld, op de weg zoals hierboven beschreven – richting Priesteres. Met die opleiding en titel kan ze aan de slag om mensen te helpen: tegenwoordig is ze te vinden in het spiritueel centrum De Maancirkel in België, waar ze als energetisch therapeut mensen begeleidt.

Sterren: **

ISBN: 9789463310246

Uitgeverij: Hajefa

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Wolfgang Hilbig – Oude afdekkerij

Een wandeling in het park waar je niet wil zijn

Het is meestal geen goed idee terug te gaan naar goudgerande jeugdherinneringen. Al die mooie zaken die je voor het eerst beleefde: de duizelingwekkende eerste zoen, de vakantie aan een ongerept strand in Italië, de fles ouzo op een andere vakantie, het idyllische plaatsje waar je opgroeide, je eerste echt goede vriend/vriendin – laat ze fijn in je herinnering sudderen en schud ze niet op. Niet zelden zal anders teleurstelling je deel worden..

Die waarheid heeft Wolfgang Hilbig ook doorgrond. Het is denkbaar dat hij in één van zijn meest neerslachtige buien dit verhaal op papier slingerde, een verhaal dat niet de vrolijkheid in pacht heeft. Zoals de voorflap opgewekt samenvat:

“In Oude afdekkerij richt Wolfgang Hilbig zijn hypnotische proza op het punt waar identiteit, taal en de donkerste hoofdstukken van de geschiedenis samenkomen. Het begint met een jongen die geobsedeerd wordt door een lege en vervallen kolencentrale omdat hij vermoedt dat die iets te maken heeft met de mysterieuze verdwijningen die in de streek plaatsvinden. Maar wanneer hij als jongeman terugkeert naar de plek en zijn herinneringen – het gebouw is inmiddels veranderd in een ‘afdekkerij’, een abattoir dat dode dieren verwerkt – realiseert hij hoeveel hij gemist heeft. Met een sfeer die veel te danken heeft aan Edgar Allan Poe en een syntaxis die aan James Joyce doet denken, roept dit suggestieve, dreigende verhaal de verloren onschuld van de jeugd op.”

Op die sfeer qua Poe en syntaxis van James Joyce komen we nog terug. Eerst het woord ‘afdekkerij’. Een abattoir is dat, waar kadavers worden uitgeladen op weinig zachtzinnige wijze. Daar hebben we meteen enorm veel sfeer van Poe, want de observator ziet namelijk lijven die kadavers onder het uitstoten van hese bevelen uit de gapende ruimte van een smerige veewagon sleepten, met flikkerende en druipende ijzeren haken, die in de weke delen van de dieren worden geslagen, en die dieren schokten en spreidden hun tegenstribbelende poten dwars over het perron, varkens enzovoort, met doorgebeten tongen voor hun schuimende muilen .. en zo gaat het bladzijdenlang door. Lees twee bladzijden Poe en merk hoe hij zijn horror een stuk subtieler dan hier vorm gaf.

Ook over James Joyce niets dan goeds, behalve dat het lezen van ‘Ulysses’ een helse taak is juist vanwege de syntaxis. Joyce hanteerde namelijk als drijvende schrijfkracht de ‘stream of consciousness’, waarbij de schrijver alle opkomende gedachten ongeordend aan het papier toevertrouwt. Dit boek opteert eenzelfde soort syntaxis te hebben en dat klopt. Helaas, mogen we eraan toevoegen. Het verhaal is te volgen, maar alleen als je mee kan gaan in de waanbeelden die in een soort deliriumtoestand en koortsig doemsdagproza over de lezer worden uitgestort, proza waar de vier ruiters van de Apocalyps, boze geesten, en nachtmerries nooit een komma ver weg zijn.

Het is dan ook nauwelijks meer nodig om erop te wijzen dat dit geen vriendelijk verhaal is. Integendeel. Het is meer één grote waarschuwing – dat is wat dit relatief korte verhaal boeiend (en weerbarstig) maakt. Met een allesdoordringende somberheid als propeller. Hilbig geeft de donkerheid van het leven in zijn tijd, en daarmee de uitzicht-, en zinloosheid van het bestaan in dat tijdsgewricht vorm. Rauw als de oorlogsdreiging zelf, uitzichtloos en duister. Mooi gemaakt, een onaangename maar al te realistische vorm. Niet lezen voor het slapengaan, is de aanbeveling.

Sterren: ***

ISBN: 9789492313935

Uitgeverij: Koppernik

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Ursula Hegi – De beschermheilige van zwangere meisjes

Als los zand tussen je tenen 

“Als je aan de Noordzee opgroeit, heb je er respect voor, je kent hem zoals je je eigen ademhaling kent. Dat begint al als je leert zwemmen nog voor je kunt lopen, en je onder de ene golf door duikt en je je kleine vingers in het silt steekt voordat de volgende je meesleurt.”

Zo begint de nieuwe roman van Ursula Hegi, u kunt haar naam en reputatie kennen van ‘Stenen in de rivier.’ De quote hierboven zegt veel over de basis van de roman: het Duitse eiland Nordstrand. Dat is een plek waar ongeveer één keer in de honderd jaar een vloedgolf alles met de zandbodem gelijk maakt: huizen, vee, mensen, kinderen. Een weinig betrouwbare, wankelmoedige ondergrond dus, die niet toevallig samenvalt met de karakters en gebeurtenissen in het boek.

We lezen over de zwangere meisjes van het Sinte-Margarethahuis dat gesitueerd is op Nordstrand, op het moment dat Circus Ludwig zijn tenten eveneens op het eiland opzet. De meisjes, blij met een verzetje, bezoeken het circus samen met hun verzorgers de nonnen, maar helaas maken ze op grove wijze kennis met een nieuwe vloedgolf. Een extra gewelddadige vloedgolf. Drie vrouwen op het strand overleven de ramp: Lotte, die met dat ongeval drie van haar vier kinderen verliest, en Sabine en Tilli. Zij zijn de hoofdpersonen die we de rest van het boek volgen.

Maar eerst doet Lotte iets bijna onherstelbaars nadat ze drie van haar kinderen in de golven heeft zien verdwijnen: ze gooit haar jongste telg Wilhelm ook de zee in. Met de woorden: “Neem hem, God, en geef me mijn andere drie terug.”

Haar echtgenoot Kalle duikt daar in wanhoop achteraan en vist de baby uit zee, maar geeft hem niet meer terug aan zijn moeder. De mensen zeggen dat hij het haar vast nooit vergeeft.

“Maar de Oude Vrouwen kennen de reikwijdte van Lottes offer, ze weten hoeveel moed het vergt om je kind aan God te geven en ze begrijpen dat ze haar haar geloof hebben zien verliezen. Ze weten wat dat is. En niet iedereen vindt de weg naar God terug.”

Zo laveert het verhaal en de tekst tussen zwaar dramatische en hemelhoog juichende gebeurtenissen, gevat in soms nogal zware, amechtige taal, wat de leesbaarheid helaas niet ten goede komt. De opbouw van het verhaal is wel min of meer logisch, maar Hegi lijkt ook in die structuur met opzet wat losse zandkorrels te hebben gestrooid, waarschijnlijk om de wispelturigheid van het Nordstrand te weerspiegelen. Het doorgronden van de tekst is daarmee een stoef, associatief maar op sommige momenten ook wonderschoon werkje. Vergelijk het met diamanten delven: het kost wat zweetdruppels maar het resultaat is schitterend.

Aan de andere kant beklijven sommige passages moeiteloos, zoals het beeld van de arme vader Kalle die bij Circus Ludwig intrekt. Daar kan hij zijn talent uitleven: speelgoed maken. Dit rondtrekkende circus met zijn onzekere bestaan staat model voor de karaktervorming van de personages. En ook hier moet de lezer over brokken tekst klimmen om de lijn te blijven volgen. De balans opmakend levert Hegi een mooie prestatie, en een gedenkwaardige geschiedenis af. Een universele vertelling over de steun die mensen elkaar in zware tijden kunnen geven, tijden waarin alles wat je denkt te hebben opgebouwd, genadeloos tussen je naakte tenen doorspoelt. 

Sterren: ***

ISBN: 9789493081789

Uitgeverij: Orlando

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Ine Boermans – Een opsomming van tekortkomingen

 

Monsters in je hoofd          

Lot komt bij haar nieuwe psych, een man met een vriendelijk vierkant hoofd. Op het moment dat we dit lezen, weten we nog niet dat Lot heel wat meegemaakt heeft, haar moeder een oude hippie en haar vader een manipulatieve lulhannes is, en zij tussen die twee krachten figuurlijk gemangeld wordt.

De psych wil weten waarom ze komt. Omdat ze visioenen heeft, zoals wanneer ze de was staat te vouwen denkt: ‘die arme mensen stonden ook gewoon de was te vouwen voor ze de volgende dag samen met hun kinderen werden vergast in Auschwitz.’

Na enig peinzen zegt de psych: ‘Was het niet veel verder dan één dag rijden met de trein, Auschwitz?’

Lot noemt een ander voorbeeld: ‘Als ik worst eet, dan denk ik aan al die varkens die worden doodgeknuppeld.’

Psych weer: ‘Worden varkens doodgeknuppeld? Ik dacht dat knuppelen meer iets voor zeehondenbaby’s was?’ Dit soort droge humor tilt het op zich trieste verhaal boven het doorsnee klaagverhaal uit, terwijl het wel degelijk binnenkomt.

Naast de humor valt het sterke gebruik van de taal op. In enkele woorden zet Boermans een helder of zeer schrijnend beeld neer, zoals weer over Lots visioenen: “de beren die aan een korte ketting van de ene voet op de andere springen omdat hun beschadigde poten zo’n pijn doen.” Zo’n simpel zinnetje dat pijn, verdriet, medelijden en uitzichtloosheid opwekt – dan kun je schrijven. Het beeld van dansende beren bleef deze recensent in elk geval nog lang daarna kwellen.

De absurdistische bezoekjes aan de begrijpend meeknikkende therapeut die nul opzienbarende conclusies trekt uit Lots getormenteerde zielenroerselen is de ene verhaallijn. De tweede is het contact met Lots moeder. Dat verloopt door korte briefjes, waaruit Lots moeder materialiseert als een iets te vrijgevochten, wilde, onverantwoordelijke, eigenlijk ronduit onbetrouwbare moeder. Boermans houdt hier goed maat. De briefjes zijn afwisselend genoeg om te willen lezen en geven de informatie in behapbare brokjes door, zodat de lezer een steeds beter beeld krijgt van haar feitelijk egoïstische moeder.

Het derde element is Lots contact met haar vader. Nodeloos te zeggen dat ook dat verre van soepel gaat. De man is een narcistische, egoïstische botte eikel met een opvliegend karakter. Als het tussen hem en Lots moeder niet goed meer gaat, en hij op zichzelf woont, probeert hij Lot aan zijn kant te krijgen. Dat gaat er subtiel aan toe:

“Elk weekend bij hem was een aaneenschakeling van tegenstrijdigheden waarin mijn loyaliteit flink op de proef gesteld werd.

Hij legde me uit dat ik beter bij hem kon wonen. Dat hij stabieler was en in staat om een vaste relatie te hebben. Dat hij een baan had, meer centjes en gewoon all-over een betere persoon was dan mijn moeder. Hoger opgeleid, minder emotioneel, sterker in opvoeden. Maar verder geen slecht woord over mijn moeder, want zo was hij niet. Niets dan lof.”

Papa trouwt met een andere, daarna stiefmoeder, maar is zo attent om zijn dochter met enige regelmaat brieven te sturen. Daarin herhaalt hij zijn ‘ik heb altijd zo goed voor je gezorgd, je moeder is een nul’–riedel. Tussen al dat geweld moet de arme Lot zich staande zien te houden. Toch gaat het langzaam beter met haar als ze begint met haar belevenissen op papier te zetten. Dat doet ze zo goed, dat we nu haar wonderlijk tenenkrommende geschiedenis kunnen lezen en er – voorzichtig – om kunnen lachen. In de hoop dat het inderdaad beter gaat met Lot.

Sterren: ****

ISBN: 9789493081864

Uitgeverij: Orlando

Ook verschenen op De Leesclub van Alles