Recensies van actuele boeken

Carry Slee – Dochter van Eva

Is er nog vreugd na een gefnuikte jeugd?

Na het succes van Moederkruid pakt Carry Slee door met een tweede deel. ‘Dochter van Eva’ is een vervolg op het leven van de in een betreurenswaardige positie verkerende kinderen in een dysfunctionele familie, die we in deel 1 leerden kennen. De aan wanen lijdende moeder speelt nog steeds de hoofdrol.

Ook de situatie in het huis van ‘Moederkruid’ is nog precies hetzelfde. Of nee, het is erger geworden. De het hele huishouden geestelijk mishandelende moeder zorgt er nog steeds voor dat de kinderen (niet de vader, die lapt alles aan zijn zorgeloze laars) elke dag een vers schuldgevoel krijgen. Waarom? Omdat mama zich niet lekker voelt, of een invasie van marsmannetjes vreest, of eigenlijk de algehele buitenwereld als directe bedreiging ervaart.

De directe stijl zorgt ervoor dat wij lezers de grillen van die moeder onuitwisbaar ingeprent krijgen. Er staat geen woord teveel, heel subtiel wordt duidelijk hoe zwaar het schuldgevoel is dat de moeder de kinderen oplegt, een deken van zwaarmoedigheid die als dikke modderige smurrie van de bladzijden afdruipt.

De dochter van Eva voert, net als in deel 1, een dagelijks gevecht om zichzelf staande te houden. Ze is ouder, een puber al, maar haar moeder leunt zo zwaar op haar dat het vrijwel onmogelijk is om zelfs maar een stukje ruimte voor zichzelf te creëren, laat staan de mogelijkheid te benutten om te leren, te ontwikkelen, te ontsnappen aan dit zuigende zwarte gat.

Wat ook niet helpt is de losbollige vader, die hosselend zaakjes opzet en weer failliet laat gaan, oog heeft voor iedere mooie vrouw, maar voor zijn eigen gezin minimale aandacht heeft. De school, de buurt, de familie accepteert dit buitenissige gezin niet. Zelfs potentiële vrienden maken na één bezoekje beleefde excuses om niet meer te hoeven komen.

Onze heldin is op zichzelf aangewezen. Maar ze vecht terug. Onbewust in eerste instantie en onderhuids, maar allengs meer openlijk, zeker als ze een vriend krijgt: Arnoud.

Samen gaan ze steeds meer uithuizig, want studerend. In die nieuwe vrijheid ontdekt ze dat ze studeren leuk vindt, schrijven eveneens, en niet te vergeten seksualiteit, wat inventieve zelfbevredigingsscènes oplevert. Ze maakt zich zachtjes los van haar verstikkende milieu, op zoek naar een nieuwe moeder.

Tegen het eind van het boek gaat ze nog een keer thuis langs:

“Mama was boos toen ik langskwam, omdat ik lange tijd niks van me had laten horen.

Papa zat achter de krant en zei niks.

Ik vertelde dat het kwam omdat ik voor mijn eindexamen was gezakt.

‘Ik had niet anders verwacht,’ zei papa.

‘Je zult je hele leven wel overal voor zakken,’ zei mama, ‘net als je vader. Dat hoeft toch niet te betekenen dat we je nooit meer te zien krijgen? Het lijkt wel of je geen ouders hebt. En het ergste is nog dat ik van jou afhankelijk ben. Je dacht toch niet dat ik naar jou toe kan komen? Als ik al die trappen op moet kan ik mijn benen wel meteen inzwachtelen.’”

Dan is het samenzijn met haar nieuwe vriend Arnoud hoopvoller. Hij leest haar lievelingsgedicht voor van Baudelaire. Dat klinkt goed genoeg om een relatie aan te gaan. Toch? Wordt vervolgd in De toegift. En als je na deze bio’s zin hebt, is er nog de bespreking van haar nieuwste kinderboek Fake!.  

Sterren: ****

ISBN: 9789044602098

Uitgeverij: Prometheus

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Carry Slee – De toegift

Een eigen leven: er gloort hoop

Na Moederkruid en Dochter van Eva gaat dit derde deel over het meisje waar we Slee in herkennen niet meer over haar jeugd. Ze is een volwassen vrouw, heeft een relatie met Arnoud en gaat samenwonen. Een winkelpand van haar vader is daar geschikt voor, al vraagt vader daar wel huur voor. En houdt hij een sleutel. Maar goed, het leven lacht de hoofdpersoon toe, eindelijk rust en een normale relatie.

Hoewel? De hoofdpersoon wil dat heel erg graag maar de realiteit is weerbarstiger: Arnoud is lief maar ook een beetje, zeg maar, zonderling. Hij leest zo veel dat hij zich van de rest van de wereld afsluit, en heeft sterke meningen die zich niet altijd laten verenigen met de gedachten van zijn vrouw. Geeft niet, komt in de beste gezinnen voor.

Een lastig momentje is altijd als Arnouds ouders langskomen. Zijn moeder heeft een vast ritueel: zij maakt het vlees (en de rest van de maaltijd) voor haar zoon klaar. En vader sjouwt een kratje Heineken naar binnen, waar Arnoud fors van moet drinken. Pa werkt immers bij die brouwerij, dus dat bier is gratis.

Afgezien van deze kleine aardbevinkjes begint het leven draaglijk te worden, en als vriendin Esmée in zicht komt, dreigt zelfs wat geluk op te bloeien. Met Esmée begint de hoofdpersoon een passionele relatie. Niet zonder dat Arnoud trouwens daarvan zijn deel opeist, zodat ze in een driehoeksverhouding verder gaan.

In hetzelfde misleidend kabbelende tempo van de eerder twee delen, ontvouwt Slee het verhaal. Iets minder tenenkrommend dan die eerste delen, enerzijds doordat haar leven toch iets vrolijker lijkt te worden. En anderzijds omdat het Stockholm-syndroom bij de lezer optreedt: je went aan de constante emotionele chantage/botheid van de personages. Ongeveer op de helft krijgt het leven een zonniger kantje: de hoofdpersoon gaat iets doen met haar schrijftalent.

Ze heeft een aantal verhalen naar een uitgever gestuurd en wacht nagelbijtend af.

“Er waren twee weken voorbij en nog steeds had ik niks van de uitgever gehoord.

Zat ik nog wel in haar hoofd? Of lag ik op het bureau bij haar secretaresse en kreeg ik straks een standaardbriefje dat ik niet in haar fonds paste…

De angst voor een afwijzing werd elke dag groter.

Voor negenen was ik nog veilig, maar daarna kon de telefoon gaan. Om half elf liep de spanning hoog op. Dan kwam de postbode. Ik werd bijna misselijk als ik de post op de deurmat hoorde vallen, terwijl ik er toch de hele ochtend op had gewacht…..

Ineens kon ik de onzekerheid niet meer verdragen. Ik moest haar spreken…

De telefoniste moest het aan mijn stem gehoord hebben. Nog geen seconde later kreeg ik Ida de Graaf aan de lijn. Ik vroeg of er al iets bekend was over mijn verhalen.

‘Ja zeker,’ zei ze. ‘Ik was van plan je te bellen. Jij bent me voor.’

Je wilt me niet, dacht ik. Zeg maar dat je me niet wilt. Ik was klaar om de klap op te vangen.

Het bleef even stil en toen zei ze het: ‘We gaan ermee door.’”

En de rest is geschiedenis, zoals we weten. Geen totaal rooskleurige geschiedenis natuurlijk, want ondanks haar als een bom inslaande schrijfsucces blijft haar privéleven wat moeite houden met menselijk contact. Ze is beschadigd en dat wreekt zich, maar ze is ook sterk genoeg om dat te erkennen en daar actie op te ondernemen.

Slee beschrijft het allemaal in die nuchtere stijl alsof ze er zelf niet bij is geweest. En misschien is dat ook zo – misschien moet je afstand nemen van dit soort situaties om te overleven. Haar schrijverschap heeft haar daarbij zeker geholpen. Bovendien levert het ons, lezers, behalve deze autobio’s een niet aflatende stroom van fijne jeugdboeken op. Zoals haar 2021-boek Fake!.

Sterren: ***

ISBN: 9789049999933

Uitgeverij: Pimento

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Carry Slee – Moederkruid

Als je moeder anders is

Carry Slee heeft geen introductie nodig. Met de miljoenen boeken die ze schreef, is ze misschien wel de meest bekende kinderboekenschrijfster in ons landje. Kasten vol prijzen won ze met haar boeken, een aantal daarvan zijn succesvol verfilmd en als je haar oeuvre bekijkt, heeft ze zo ongeveer alle leeftijden bediend waarbinnen kinderboeken vallen. Met een intimiderende productie is ze in kinderboekenland een begrip, zie ook haar nieuwste titel Fake!.  

Maar ze schreef ook drie ‘volwassen’ boeken, een uitzondering op haar specialisme kinderboeken. De eerste is ‘Moederkruid’, waarin Slee subtiel de problemen aankaart die kinderen met hun ontspoorde ouders kunnen hebben. En dat doet ze goed. ‘Het meisje en haar zusje’ zijn hier de kinderen die tevergeefs de eigenaardige gedachtesprongen van hun ouders proberen te duiden. En/of in de praktijk te brengen. Niet simpel, want dat gedrag spoort absoluut niet met wat ‘gewone’ ouders doen.

Papa is het flierefluiter-type. Hij is een vrije jongen, altijd goedgehumeurd, elke minuut op zoek naar manieren om geld te verdienen. Zijn beroep is kleermaker, maar al snel gaat hij failliet. Daardoor moet het gezin naar een andere buurt verhuizen, waar ze – volgens hun moeder – veel te goed voor zijn, zodat de kinderen zich met niemand mogen bemoeien. Het gevolg is desastreus: het gezin en dus ook de kinderen worden door de buurt genegeerd, soms zelfs uitgekotst, wat een voor de hand liggend effect heeft: ze worden buitenstaanders.

De figuur in het boek die de meeste bevreemding oproept is de moeder. Zij reageert wel heel sterk – en raar – op normale situaties. Neem de verhuizing: ze komen in een nieuwe buurt te wonen:

“’Daar ben ik mooi klaar mee,’ zei mama. ‘Deze hele buurt is één grote bacteriehaard.’ Ze ging de strijd aan. Hygiëne, daar ging het om…Mama had nog meer bedacht: handen wassen. Als we nog op de deurmat stonden, draaide ze de kraan al open…

Ik ging bij Olga spelen, een meisje van de overkant.

‘Denk erom, waarschuwde mama, ‘je gaat daar niet op de wc-bril zitten. Als er iets gevaarlijk is, dan is het de wc-bril wel. Het wemelt er van de bacteriën.. Je kunt er de ergste ziektes van krijgen, en daar is geen enkel medicijn tegen bestand…’

‘Maar Olga dan en de andere kinderen in de straat?’ vroeg ik. ‘Waarom worden die dan niet ziek?’

‘Die kinderen liggen al vanaf hun geboorte in het vuil,’ zei mama…’

Als de meisjes terugkomen, heeft de oudste per ongeluk toch op de wc-bril plaatsgenomen.

Ik bleef staan. ‘Ik heb buikpijn.’

‘Je hebt daar toch niks gegeten?’ vroeg mama geschrokken.

Ik schudde mijn hoofd.

‘Wat heb je dan? Zeg op, wat is er gebeurd?’ Mama schudde aan mijn arm.

‘Ik ben op de wc-bril gaan zitten.’

‘Jezus Christus nog aan toe!’ Mama liep met haar handen in haar haren door de gang heen en weer. ‘En ik heb je nog zo gewaarschuwd. Denk erom dat je hier niet naar de wc gaat, ik moet eerst iets kopen om de boel te ontsmetten, anders krijgen wij het ook. Je weet hoe bevattelijk ik ben, als ik ziek word is het jouw schuld.’”

Dit ietwat lange (sorry!) citaat geeft exact de verhoudingen aan tussen de onwetende kinderen en de gestoorde, emotioneel chanterende moeder. Slee laat haast achteloos zien hoe vertwijfeld de meisjes zich staande proberen te houden in de krankzinnige wereld van mama. En hoe ze onvermijdelijk toch een tik van de mallemolen mee krijgen.

Slee levert zoals altijd een mooi maar in dit geval ijzigwekkend verhaal. Als dat ook nog – na speurwerk achteraf – autobiografisch blijkt te zijn, stijgt de waardering voor haar als schrijfster. Ze zet een realistisch verhaal neer dat kippenvelopwekkend genoeg waar gebeurd is. Wat een jeugd – die wordt vervolgd in Dochter van Eva en De toegift.

Sterren: ****

ISBN: 9789044600087

Uitgeverij: Prometheus

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Carry Slee – Fake!

Spannende relationele puberthriller

Carry Slee heeft geen introductie nodig. Met de ziljoenen boeken die ze schreef, is ze misschien wel de meest bekende kinderboekenschrijfster in ons landje. Met een intimiderende productie is ze in kinderboekenland een begrip.

Dit is haar nieuwste jeugdboek: Fake! Maar ze maakte in het verleden ook een uitstapje naar ‘volwassen’ boeken met de trilogie Moederkruid, Dochter van Eva en De toegift, die we in deze special ook bespreken.

‘Fake!’ is behalve een prachtig tijdsgewrichtaanduidend woord, ook een hippe titel. Die de lading dekt ook nog, maar daar komen we zo. We slaan ‘Fake’ open. En noteren meteen een tip voor de beginnende lezer: maak een stamboom.

Je weet wel, een getekend schema met allemaal namen die met elkaar in verband staan. Dat is handig want vanaf het begin schieten de namen van verschillende figuranten in het boek over de bladzijden. Het zijn er veel en het duurt even voor je weet op welke plek ze horen en wie met wie een relatie heeft, of een haatverhouding. Die informatie is nodig om het verhaal zonder al te veel terugbladeren te kunnen volgen.

Zoals we gewend zijn, trekt Carry de lezer vanaf de eerste zin het boek in. Twee jongeren, Levi en Mila, gaan naar de schouwburg voor een optreden van vriendin Olivia en haar tegenspeler Emiel. Ze willen liever niet dat Max ook komt, want Olivia wil geen verkering met hem. Ook Ruben met zijn camera komt aanlopen. Dat zijn in dit eerste hoofdstuk al zes namen.

Vlot springt de vertelling van het ene naar het andere personage en belicht hun relatie. Meisjes kijken naar jongens, jongens op hun beurt doen hun best de aandacht van de meisjes te krijgen. De lucht is gevuld met hormonen. Puberbreinen maken overuren om alle opspelende emoties te verwerken en de relaties komen al snel onder spanning te staan.

In haar altijd soepele stijl weeft Slee de emotionele achtbanen van de jongeren door het goedlopende verhaal. De dialogen doen natuurlijk aan, de figuranten zijn levensecht. Ook moeilijke situaties worden niet vermeden, zoals de aan drank verslaafde moeder van Max. Het verdriet dat Max om haar drankzucht heeft, is niet overdreven maar prima invoelbaar neergezet:

“’Mam, laat die drank nou staan,’ zegt hij als hij binnenkomt. ‘Je was zo goed begonnen. Ik was juist zo trots op je.’

‘Laat mij maar, Max, mijn leven is kapot.’ Ze praat weer met een dubbele tong. Hij kijkt naar de al bijna lege fles wijn.

‘Je moet wat voor me doen,’ zegt ze. ‘Ik heb geen wijn meer.’

‘Je hebt genoeg gedronken,’ zegt Max.

‘Er staat nog wijn in de kelder. Dat heeft je vader daar opgeborgen. Wil jij een paar flessen omhoog sjouwen?’

‘Mam, ik vind het al heel erg dat je drinkt. Je gaat kapot aan die fucking drank. Ik hou van je. Je kunt toch niet van mij verwachten dat ik die klotewijn voor je haal?’”

Het bereiken van een geloofwaardig plot is wat wankeler: er zijn een paar minder geloofwaardige twists in het proces daarnaartoe, maar daar zeuren we niet over. Het vervlechten van actuele gebeurtenissen (fake news, polarisatie, zinloos geweld) met de toch emotionele wereld van pubers is dan weer wel uitstekend gelukt. Met één zin wordt de invloed van haatmail gekarakteriseerd: “Ze maken Levi echt kapot met woorden.” Als lezer wil je zo snel mogelijk doorlezen tot de ontknoping.

Vergeleken met de drie autobiografische boeken van Slee is dit een totaal ander boek. Die autobio’s zijn somber, neerdrukkend door de gevaarlijke en onbegrijpelijke wereld waar de jonge hoofdpersoon zich in moest zien te handhaven. Zowel vader als moeder was onbetrouwbaar. Het is goed hier te kunnen constateren dat haar schrijfvaardigheid daardoor niet fataal is beïnvloed. Anno 2021 voelt ze de doelgroep waarvoor ze schrijft, nog altijd feilloos aan. Kudo’s voor deze grande dame van de lekker leesbare jeugdboeken.

Sterren: ****

ISBN: 9789048860838

Uitgeverij: Overamstel 

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Isabel Allende – Wat wij willen

Feminisme après la lettre

Wie (een paar) boeken van Isabel Allende heeft gelezen, weet dat de daarin geportretteerde vrouwen het feminisme hoog in het vaandel hebben staan. In dit boek laat ze zien hoe dat komt. En waarom ze zich inzet voor vrouwenrechten, en strijdt tegen achterstelling en discriminatie. Inderdaad: dit is dus geen ‘normale’ Allende die een mooi of intrigerend verhaal vertelt – dit is de hoogst persoonlijke geschiedenis van een succesvol schrijfster – feminisme niet avant, maar après la lettre.

De titel van het boek kan letterlijk opgevat worden: wat vrouwen willen. Voor een man meteen een interessante vraag die al eeuwen door zijn brein cirkelt, want wat wil een vrouw eigenlijk? Allende is daar duidelijk in. Op de eerste plaats met vette stip: niet overheerst worden door mannen:

“En wat houdt mijn feminisme in? Het gaat niet om wat we tussen onze benen hebben, maar om wat er tussen onze twee oren zit. Het is een filosofische houding en een rebellie tegen de autoriteit van de man. Het is een manier om de menselijke relaties te begrijpen en de wereld te beschouwen, om in te zetten op gerechtigheid, het is een strijd voor de emancipatie van vrouwen, gays, lesbiennes, transgenders – LGBTQ+-, van iedereen die door het systeem wordt onderdrukt, plus eenieder die zich erbij wil aansluiten. Welkom, zoals de jongeren van tegenwoordig zouden zeggen: hoe meer, hoe beter.”

Goed punt, strak verwoord ook. Die duidelijke, eerlijke stijl houdt Allende goed vast wanneer ze ons over haar leven vertelt. Te beginnen uiteraard bij haar jonge jaren (ze is geboren in 1942) die ze doorbracht bij haar moeder Panchita. Die werd, met twee kinderen in de luiers en een pasgeboren baby in haar armen, door haar man in de steek gelaten.

Panchita kon bij haar ouders in Chili onderdak krijgen, en daar bracht Isabel haar kindertijd deels door. Op die plek al werd het fundament gelegd voor haar vrouwvriendelijke denkrichting toen ze besefte dat haar moeder in het nadeel was ten opzichte van de mannen van de familie. Ze was immers tegen de wil van haar ouders getrouwd, mislukt, precies zoals ze haar hadden gewaarschuwd, en had haar huwelijk nietig laten verklaren, wat de enige uitweg was in dat land waar echtscheiding pas in 2004 werd gelegaliseerd.

Maar zoals we nu weten, had de kleine Isabel sluimerende talenten die in 1967 aangesproken werden toen ze als journalist ging werken. Dankzij Carmen, een beroemde literaire agent uit Barcelona, werd in 1982 haar eerste roman gepubliceerd. Het huis met de geesten is inmiddels een klassieker. En een gulle stroom boeken kwam daarachteraan.

Die schrijfdrift lijkt nu wat minder geworden; de bron droogt stilaan op. Ze boetseert een vermakelijk, dicht op haar eigen huid zittend beeld van levenswijsheden. Ze weet hoe dat moet: de taal is eigentijds, haar mening is uitgesproken en de toon is optimistisch. Maar het boek maakt de indruk bij elkaar gesprokkeld te zijn met informatie die weinig toevoegt aan wat de fans al weten. Voor die fans ligt dit werkje van de bekende weg af, maar voor wie wil lezen hoe een sterke vrouw laat zien wat voor haar belangrijk is, is het een leuke toegift.

Sterren: **

ISBN: 9789028451407

Uitgeverij: Wereldbibliotheek

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Wouter Godijn – Karina of de ondergang van Nederland

Brandende liefde verpakt in een hobbelig verhaal

‘De dood zal komen en jouw ogen hebben.’ Cesare Pavese

Met zo’n motto heb je al een redelijk idee wat de toon van een boek gaat zijn. En inderdaad, er is sprake van droefgeestigheid, behoorlijk veel zelfs. Maar er is ook (al dan niet vergane) glorie en leven op de toppen van je extatische kunnen. In die zin is dit een rond maar hobbelig verhaal dat zowel een ode is aan, als een afscheid van het leven. En veel tekst, laten we dat ook niet vergeten. Godijn is een woordkunstenaar en zet kathedralen van zinnen neer.

Fijne literatuur, dat wel, op de meeste plekken. Egodocumentatie ook. Protest en spot natuurlijk, tegen de labbekakkige politiek in het algemeen en die van Nederland in het bijzonder. Een liefdesroman, over de intense relatie tussen man en vrouw. Een sombere roman, over diezelfde relatie die door omstandigheden afbrokkelt. En een hoopvolle, over de meedogenloze voortschrijding des levens van de schrijver zelve, al is dat dan weer met enige ironie.

Wat herkennen we nog meer? Frases. Stukken tekst die lijden aan de gewoonte van de schrijver om sommige zinnen te doorspekken met aan de lezer gerichte gedachtenflarden en/of persoonlijke bespiegelingen. Een stijl die doet denken aan Jeroen Brouwers of A.F.Th. van der Heijden maar wat deze lezer betreft zonder de superioriteit van deze heren. Dat geeft die uitweidingen het effect van roadblocks: de lezer struikelt en raakt de weg kwijt in braambossen van tekst:

“Is ergens een oorlog losgebarsten en blijken de mensen elkaar in een gelijkmatig tempo dood te maken, elke dag ongeveer evenveel, dan verdwijnt zo’n oorlog algauw uit de nieuwsberichten. (Af en toe verschijnt er laat op de avond nog een anchorvrouw of –man, die met een omfloerst en ook ietwat verlekkerd timbre in haar of zijn stem – een soort half onderdrukte sappigheid  – op het gestadige moorden terugkomt, maar dat kan het conflict toch niet ontdoen van een sluier van irrelevantie; saaie kapotgeschoten huizen, saaie jammerende mensen; het lijkt allemaal verdacht veel op gedram over een kraan die niet eens écht lekt, alleen aan beetje druppelt…“ En zo verder.

Terug naar de loftrompet. De mooiste stukken in dit – toch wel – liefdesverhaal gaan gewoon over liefde. Geen huppelend blije Love Actually maar alles verterende, hartstochtelijke, verzengende, uitputtende, ja zelfs agressieve liefde. Doorheen het verhaal vertelt Godijn hoe hij zijn geliefde Karina leert kennen. Hoe verbaasd hij is als ze met hem seks wil hebben, met hém, en graag ook nog. Hoe het hem bevreemdt dat zij met hem een relatie wil, dat ze hem kiest als partner, en hoe prachtig ze eigenlijk is.

Die beschrijvingen, samen met de weinig verhullende, soms een beetje viezige seksscenes, behoren tot de betere gedeelten van het boek. Net zoals trouwens de helaas langzaam dovende liefde tussen deze twee atypische hoofdpersonen. Die tragiek valt samen met het onontkoombaar vorderen van een mensenleven tot stronkelende ouderdom. In woordenrijkdom haalt de schrijver hier hoge cijfers, in allesverterende liefde eveneens. Daarmee is dit verhaal niks minder dan een ode aan het leven zelf. Daar doet Cesare Pavese niks aan af.

Sterren: ***

ISBN: 9789025463830

Uitgeverij: Atlas Contact

Ook verschenen op Hebban en De Leesclub van Alles 

 

Philippe Claudel – Een Duitse fantasie

Elkaar bijtende verhalen

Philippe Claudel is de meester van de vervreemding. In zijn verhalen komen getormenteerde zielen voor, mensen die hopeloos in de knoop zitten met fel opspelende emoties of juist met een volkomen gebrek daaraan. In beide gevallen weet Claudel er een al dan niet vijandige omgeving rond te boetseren en voila, daar is weer een pregnant verhaal. Dat gaat onverkort op voor de verhalen in deze Duitse fantasie.

Denk even na over die woorden: Duitse fantasie. Hoe verdragen die twee woorden elkaar, waarom vechten ze niet tot de laatste snik om één van de twee onder het tapijt te vegen? Duits en grondigheid, dát combineert goed, al jaren. Maar fantasie? Zo’n frivool, lichtvoetig, ondeugend, niet-solide woord?

Toch noemt Claudel het expliciet – in het eerste verhaal klinkt al een echo door van wat hij bedoelt. Een gewonde Duitse soldaat trekt door een leeg, koud, tegenspartelend landschap op weg naar … dat weet hij zelf niet eens. Wat warmte misschien, iets te eten, een droog plekje in het hooi om eindelijk te slapen. Het zijn niet veel eisen maar het lot is blind, zelfs dat is hem niet gegund:

“Hoe ver hij ook keek, hij slaagde er niet in om de weg te zien. Hij miste het bos, dat hem tenminste de illusie gaf dat hij vooruitkwam omdat iedere boom die opdook en verdween ritme aan zijn tocht gaf…

Een bittere uitputting maakte zich van hem meester. Hij kon niet meer. Zijn wond vrat aan hem..

Ze hadden hem een functie en een rang gegeven. Ze hadden hem gevormd. Ze hadden een efficiënt werktuig van hem gemaakt…. In het kamp was hij schrijver. Stelde hij lijsten op… Maakte systeemkaarten aan. Verzamelde ze… Gaf bejaarden die slecht ter been waren een hand als ze uit de vrachtwagen stapten, en kinderen ook, want zijn onverstoorbare gezicht stelde ze gerust, net als zijn bewegingen, die nooit ruw waren, en zijn rustige stem.”

In een ander verhaal dat jaren later speelt, vindt een meisje dat tijdens de Tweede Wereldoorlog haar familie is verloren, in het bos het dode lichaam van een verbrande soldaat. Ze staat erbij en kijkt ernaar – een trauma in wording?

Dan is er ‘Irma Grese’. Irma is een goed meisje, zegt de burgemeester. Heeft nooit een kans gehad. Niet bijster intelligent, maar ook niet kwaadaardig. Ze wordt op zijn voorspraak verpleegster van een oude man in een hospice, maar ze heeft geen medeleven of zorgzaamheid, de eigenschappen die bij die baan horen. Het kan haar niet schelen, onverschillig struint ze door de spullen van de oude man, laat hem lekker in zijn luiers gaarsudderen, gaat op zijn bed zitten en kijkt door het raam:

“Ze zag bomen, daken en de bovenste rand van het neonbord van de Apokalypse, een bar waar je ’s avonds kon dansen… Ze had haar leven graag in de Apokalypse doorgebracht. Maar daar was geld voor nodig… Muziek. Dansen. Ze hield van dansen. Daar kun je geen rekeningen van betalen, trut! zei haar moeder….

De enige veranderlijke momenten waren de pauzes… Of zich liet bepotelen door de kok, als die er was. Als ze alleen waren. Hij nam haar mee naar het magazijn. Streelde haar met zijn zeemeerminhanden. Zat onder haar T-shirt aan haar borsten, trok haar slipje omlaag, streelde haar spleet.”

Dat ook dit verhaal somber afloopt, behoeft geen nadere uitleg.

Claudel laat de verhalen in de bundel een competitie voeren. Een wedstrijd in ongemak. Welk personage is het wreedst, welke figuur heeft het rotste leven? Aan het eind van het boek onthult Claudel welke thema’s hij in de verhalen behandelt, thema’s die hem al jarenlang fascineren. Dat verklaart veel, vooral ook de – behalve nietsontziendheid – niet erg aanwezige samenhang tussen de verhalen. Dat maakt de bundel zwakker dan hij verdient. Het voelt nu aan alsof de verhalen lukraak bij elkaar gezet zijn omdat ze binnen Claudels’ thematiek vallen. Maar afgezien van dat mankement zijn de verhalen messcherp geschreven. Zoals altijd.

Sterren: ***

ISBN: 9789403122519

Uitgeverij: De Bezige Bij

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Elin Meijnen – De tweede stem

Overwint Mette het verleden?

Mette draagt een geheim met zich mee. Op haar vorige school gebeurden … nare dingen die ze liever wil vergeten. Daarom gaat ze met plezier naar haar nieuwe school, waar niemand haar kent. Ze begint met een schone lei en wordt met haar zangtalent al snel opgenomen in het creatieve kringetje rondom de schoolmusical.

De zon schijnt weer helemaal. Behalve dat er opeens een nieuwe docent op haar nieuwe school komt. Nieuw, maar voor haar een oude bekende. Het verleden haalt haar in.

Dit boek is het tweede deel in de Blossom Books Shorties. Een serie volgens de uitgever “die we hebben ontwikkeld speciaal voor de lezers die wél graag toffe verhalen lezen, maar (nog) geen zin hebben in honderden pagina’s. Het is de bedoeling dat er nog veel meer gaan komen, dus als je houdt van dit soort boeken, houd ons dan vooral in de gaten!”

Doen we, maar eerst even deze doornemen. Dat kost geen moeite: het verhaal is pakkend, het leest lekker weg, behandelt een belangrijk onderwerp en is exact in de taal en gemoedstoestand van de doelgroep geschreven. We leren Mette kennen, een meisje dat op een nieuwe school is gestart. Een grote scholengemeenschap; ze zit in v4b tussen leerlingen met laptops, lokalen met digiborden. Haar veilige wereldje ligt achter haar: de school met de zachte kleuren.

Een goede aftrap. De lezer moet wel bij de les blijven want de stukken tekst zijn verdeeld in ‘TOEN’ en ‘NU’ – de twee periodes uit haar leven die ze hier beschrijft. Zoals al snel blijkt was ze op haar vorige school prima op haar plaats. Daar werd ze door muziekjuf Madeleine vooraan in de klas gezet omdat Madeleine haar zangtalent had gehoord en herkend:

TOEN

“’En jij bent ontzettend muzikaal. Ik heb het wel gehoord…’

Ik werd er verlegen van. Zei de dat echt? Over mij?

Haar donkere ogen keken me doordringend aan. ‘Ik wil jou voortaan op de voorste rij hebben tijdens de muziekles. Goeie stemmen moeten vooraan.’

Ik zweefde het lokaal uit. Vanaf dat moment was ik het lievelingetje van Madeleine.”

Jammer genoeg voor Mette is dat geluk niet blijvend. Er gebeuren dingen waardoor ze haar plezier in de muziekles verliest, sterker nog: ze wil niet eens meer op de school met de zachte kleuren blijven. Zo belanden we in haar nieuwe leven, op de school met de digiborden, en kan ze aan een vers level van haar leven beginnen. Hoewel?

NU

“Trillend blijf ik achter. Ik merk dat de tranen over mijn wangen lopen. Eddy slaat een arm om mij heen ‘Kom lieverd, we gaan even naar de wc. Slokje water drinken. En dan ga jij me vertellen wat hier zojuist gebeurde.’”

Uh-oh. Wat er precies gebeurt laten we aan de lezer(es), maar erg plezierig is het niet. Mette moet weer haar leven op orde zien te krijgen.

Elin Meijnen verplaatst zich goed in de wereld van pubers. Alle gierende emoties, de meestal onbegrijpelijke houding van volwassenen, het groepsgedrag in een klas, leuke scholen en shitscholen, het komt allemaal natuurgetrouw voorbij. Ook de onderwerpen spreken aan, en Meijnen snijdt er nogal wat aan. Sexualiteit, pesten, muziek, gender, onbegrijpelijke ouders, geaardheid, groepsdynamiek en uitsluiting, maar gelukkig ook troost en liefde. Een rijk verhaal dat prima wegleest. Gun jezelf die luxe.

Sterren: ***

ISBN: 9789463492218

Uitgeverij: Blossom Books 

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Joan Didion – Het spel meespelen

Een generatie onderweg naar nergens

Het waren de hippies, de beatniks en de dromers die na de Tweede Wereldoorlog weer een beetje idealen koesterden van een vredige wereld. Niet dat ze die over het algemeen omzetten in daden; in de vroege zestiger jaren was het makkelijker om daarvan te dromen, niet zelden geholpen door geestverruimende middelen. Een golf van ongewassen beatniks trok door Afghanistan of Tibet ter bezinning en bouwde weer thuis hun eigen communes. Alles werd beter. Ooit, weet je wel.

De late jaren zestig stelden dat beeld van een gelukzalig ideaal een beetje bij. Leven van de lucht was toch lastig, bloemenkransen vlechten zorgde niet voor een loonstrookje. Het leven was weerbarstiger dan het leek, het viel eigenlijk in sommige gevallen zelfs een beetje hoe zeg je dat, tegen. Over die tijd gaat dit boek van Joan Didion, in Amerika, over Maria en Carter.

Die twee hebben een wat gecompliceerde relatie. Zij is een vastgelopen filmster. Een paar succesvolle films gehad, wat geld op de bank, leuk huis, zwembad – ze hoeft er alleen maar wat plezier aan te beleven. Dat is een probleem. Maria heeft geen doel meer in het leven. Ze wordt niet meer gevraagd voor filmrollen, mensen kennen haar van horen zeggen maar ze is ook weer niet zó beroemd dat ze voor rode lopers wordt uitgenodigd, en ze heeft Carter.

Carter is ook succesvol – als filmproducent. Het verschil tussen hem en Maria is dat hij nog wél volop aan het werk is. Hij heeft connecties, maakt nieuwe films, is een graag geziene gast op de party’s. Ooit waren Maria en hij minnaars. Maar nu niet meer. Ze probeert wel weer wat gevoelens voor hem te krijgen, maar ja.

“De eerste nacht in de drukkende hitte van het motel in de woestijn keerde Carter Maria zijn rug toe zonder iets te zeggen. De tweede nacht stond hij op en ging in het bed in de andere kamer liggen.

“Wat is er,’ zei Maria, die in het donker in de deuropening stond.

‘Het gaat niet beter.’

‘Hoe weet je dat?’

Hij zei niets.

‘We hebben het niet eens geprobeerd.’

‘Jij wil het niet.’

‘Wel waar.’

‘Nee,’ zei hij. ‘Je wil niet.’

Maria draaide zich om. Daarna ging zij of Carter meestal in de andere kamer slapen. Soms zei hij dat hij moe was, en soms zei zij dat ze wilde lezen, en soms zei niemand iets.”

Deze tekst zegt het wel: het leeft niet meer. In een zelfgeschapen perpetuum mobile van lethargie, pillen en drank brengt Maria haar dagen door. Joan Didion vat de uitzichtloosheid van Maria trefzeker in haar constante verwarring, bedwelming (pillen, drank) en kleine oplevingen met opvlammende hoop die echter al snel weer de bodem wordt ingeslagen. Om iets te doen te hebben, doodt ze de tijd bijna elke dag met honderden kilometers autorijden door de Mojavewoestijn en af en toe een pauze voor een koude cola.

Een ontmoedigend boek dat de duistere kanten van het schijnbaar maakbare leven van The American Dream laat zien. Didion schreef een confronterend en rauw verhaal over de fundamentele onmaakbaarheid van het bestaan. Prima geschikt op herfstavonden met veel vallende blaadjes – met niet te veel drank erbij.

Sterren: ***

ISBN:  9789029540797

Uitgeverij: Arbeiderspers

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Roxane van Iperen – De genocidefax

Eigen volk eerst – maar welk volk?

Roxane van Iperen licht met dit essay een afschuwelijke periode uit de geschiedenis van Rwanda. Op 6 april 1994 botsen de twee grootste inheemse stammen, de Hutu’s en de Tutsi’s, zoals u zich misschien nog uit de krantenkoppen herinnert, op elkaar. Preciezer: de Hutu’s hakken in op de Tutsi’s. De Hutu’s hebben in het geheim een masterplan voorbereid waardoor ze bij verrassing het Tutsi-deel van de bevolking kunnen overvallen en een kopje kleiner maken, letterlijk en zonder genade.

Hoe kon dat in een land waar decennia lang bevolkingsgroepen in een min of meer vreedzame co-existentie leefden? Extreem gewelddadig was het: van de Tutsi-gemeenschap werden een kleine 200.000 mensen afgeslacht. Letterlijk armen en benen afgehakt met machetes, bijlen en andere scherpe voorwerpen. Daarnaast werden vuurwapens gebruikt, indien voorhanden, wat het bloedbad alleen maar groter maakte.

En onbegrijpelijker. Vooral over die ongerijmdheid essayeert van Iperen: waarom doen mensen mee met schadelijk groepsgedrag waardoor die ene of juist de andere bevolkingsgroep getermineerd moet worden? Ze trekt de parallellen van ‘de angst voor uitsluiting’ in een groep door naar het lot dat klokkenluiders die buiten die groep treden bijna altijd treft: verstoting en straf. Ook de toeslagenaffaire is niet vrij geweest van dit soort invloeden, die in de hand werkten dat de Belastingdienst te laat en de regering nog veel later ingreep.

Ondertussen in 1994 trekken in Rwanda de extremisten rücksichtlos dodend en verminkend door het land. Een grote rol is hier weggelegd voor de Hutu Power beweging, die al jaren alle Tutsi-burgers op een doodlopend zijspoor wil zetten. Maar waarom die haat na jaren succesvol samenleven met de andere groepen? Van Iperen laat zien hoe de Belgen hier niet de enige maar wel de eerste blaam treffen. Het is het al te vaak vertelde verhaal over uitbuiten, misleiden en leegroven van ontwikkelingslanden.

“Sinds België in 1916 Rwanda had veroverd en er in 1924 van de Volkerenbond het mandaat over had verkregen, was ‘het land van de duizend heuvelen’, zoals er zo lieflijk naar werd verwezen, vooral een betrouwbare melkkoe gebleken…

Tot dat moment leefde de Rwandezen in clans die bestonden uit drie sociale groepen, binnen een hiërarchie gebaseerd op land en eigendom. De meerderheid bestond uit (Ba)Hutu (90 %), vooral boeren die op akkers werkten, en (Ba)Tutsi (9 %), veelal veehouders met een hoger aanzien… en Twa (1%), een pygmeeënvolk.

Men woonde naast elkaar, had dezelfde taal en cultuur en trouwde onderling. Boven alles identificeerde de bevolking zich als Banyarwanda: de mensen van Rwanda.”

Maar – er is altijd een ‘maar’ die stront aan de knikker inluidt – met de komst van de Duitsers in 1989 en daarna de Belgen kwam het evolutionisme in zwang: verschillende volken bevinden zich op verschillende punten van beschaving, van wilden tot barbaren tot ontwikkelden. Belgische ambtenaren hadden tot taak de fysieke kenmerken van de burgers te meten: van de breedte van neusvleugels tot de vorm van het aangezicht.

Conclusie: de Tutsi’s leken evolutionair het meest op Europeanen. Een rassentheorie was geboren, een handig instrument trouwens waar slinkse hedendaagse politici opnieuw naar lonken. Voor Rwanda luidde het een fataal schisma in dat een Tutsi-elite creëerde die het overige deel van de bevolking aanstuurde, het land verdeelde, haat zaaide en in de vijftiger jaren al tot een geweldsexplosie leidde. Maar dan met heel veel vermoorde Hutu’s.

In 1959 vertrekken de Belgen en

“laten een land achter met geïnstitutionaliseerde, diep ingesleten en op individueel niveau vastgelegde etnische haat en groepsrivaliteit. Een verdeeldheid die in Tutsi Paul Kagama en Hutu Théoneste Bagarosa voortwoekert en tweeëndertig jaar later een strak georganiseerde apotheose beleeft, die door de buitenwereld zal worden afgedaan als een spontane slachtpartij tussen rivaliserende stammen.” 

Na al die zware details hebt u, lezer, hopelijk genoeg informatie en nieuwsgierigheid om de rest van het essay te gaan lezen. Hierin interviewt van Iperen de VN-afgevaardigde Roméo Dallaire. Kort gezegd was hij in Rwanda de vertegenwoordiger van het Westen, en als zodanig werd hij ook gemangeld tussen de in 1994 spelende krachtenvelden.

Ter plekke signaleerde hij alle seinen die op rood sprongen, de druipende haat, het dreigende geweld. Hij stuurde een fax, de fax die later de genocidefax is gaan heten, aan het VN-hoofdkwartier en smeekte om hulp omdat het uit de hand dreigde te lopen. Maar vanuit de VN kwam er niets. Helemaal niets. Waarom? Dat maakt van Iperen duidelijk. Komt ze daarbij tot interessante conclusies? Absoluut.

Sterren: ***

ISBN: 9789059655478

Uitgeverij: CPNB

Ook verschenen op De Leesclub van Alles