Recensies van actuele boeken

Oliver Jeffers – Het fortuin van Fausto

Oliver Jeffers – Het fortuin van Fausto

Minder tekst, meer impact

Dit is een fabel verbeeld door Oliver Jeffers.

“Er was eens een man die

geloofde dat alles van hem

was en hij ging op pad om

zijn eigendom te overzien.”

Kunstenaar Jeffers maakte het beeld voor dit boek op een traditionele lithopers in Parijs. Voor het ontwikkelen van het lettertype (Chambord Maigre (Fonderie Olive, 1945)), werden traditionele loden handletters gebruikt. Wat dat betekent? Een oogstrelend boek. Een gedurfd boek ook, vol leegte. Dat zal niet iedereen waarderen of kopen. Petje af dus voor dit experiment, en chapeau voor uitgeverij De Fontein om dit uitgeefrisico te nemen. Het leukste is: het experiment lukt. Het boek komt binnen.

Neem de twee bladzijden waarop Fausto, de man die gelooft dat alles van hem is, de zee op gaat om ook die te annexeren.

Op de linker pagina, bovenin:

“Toen hij ver genoeg

uit de kust was

sprak Fausto op luide toon:”

Op de rechter pagina, bovenin:

“‘Zee, jij bent van mij.’”

Een golvend streepje blauw daaronder, één streepje, op verder blanco bladzijden. Zo eenvoudig is de fabel, zo spartaans vertelt Jeffers hem. Idem voor de tekeningen; toch vormen ze samen met de tekst een indrukwekkend geheel.

Meer hoeft er niet gezegd te worden. Of toch: aanschaffen dat boek. En bladeren en kijken, keer op keer.

Sterren ****

ISBN 9789026151453

Uitgeverij de Fontein

Ook verschenen op De Leesclub van Alles

Esther Verhoef – Labyrint

Esther Verhoef – Labyrint

Niet helemaal op het puntje van je stoel           

Een verhalenbundel van Esther Verhoef is een plezante afwisseling van haar doorgaans redelijk stevige thrillers. Vakkundig in elkaar gezet zijn die, stuk voor stuk strak gecomponeerde leesverslavingsbevorderende nagelbijters. En volkomen terecht bestsellers. Dat genre heeft ze goed onder de knie. In dat andere genre, het korte verhaal, leverde ze ook al een aantal titels af, maar die waren niet allemaal zo zenuwslopend spannend. Hoe is het met dit ‘Labyrint’?

Het eerste verhaal ‘Vuile handen’ gaat over relationele problemen. Een zachtaardige vrouw en een man met losse handjes, dat moet wel fout gaan. Dat gaat het ook, alleen niet zoals verwacht. Of eigenlijk wel, omdat je de pointe eigenlijk al snel voelt aankomen: een sterke vrouw die de confrontatie aangaat.

Lezen we verder dan turven we dat van de dertien verhalen meer dan de helft als thema ‘relationele problemen’ heeft. Met bijbehorende gevoelens als vernedering, onmacht, woede, arrogantie, neerbuigendheid, onverschilligheid en onvermijdelijk wraak. Zoete wraak van powervrouwen, dat wel, maar mede daardoor blijft ook bij deze verhalen een verrassende plotwending toch achterwege. Een uitzondering is het lieve verhaal “De ontmoeting”, waar dit thema op een lichtere manier – met een betere afloop ook – is uitgewerkt.

De rest van de vertellingen variëren erg in stijl (als ze door Escobar zijn geschreven herken je direct een strakke, hardere verteltrant), en contrasteren mooi met de andere. Leuk is ‘De stagiaire’, dat een hopelijk niet al te autobiografisch inkijkje geeft in de wereld van grachtengordel-uitgeverijen. Elitair, nuffig, blasé, jaloezie, dedain, achterbaksheid en pure kwaadaardigheid zijn hier de sleutelwoorden. Woorden met een negatieve connotatie inderdaad. Niet voor niets: zoals de titel suggereert beleeft de stagiaire Anne hier haar vuurdoop bij een literaire uitgeverij. Een prettige relevatie is dat niet:

“Ik heb mokken en thermoskannen met heet water op een van de tafels klaargezet. Ongeduldig peuter ik aan mijn nagelriemen. Het is kwart over negen. Carla staat bekend als super punctueel. Ik kan me niet voorstellen dat ze een vol kwartier te laat verschijnt op een vergadering die ze nota bene zelf voorzit. Bovendien zoden er vandaag twee auteurs zijn uitgenodigd o iets te vertellen over hun nieuwe project.

Ik haal mijn telefoon uit mijn tas en bel Melanie. Voicemail. Ik probeer Gaby’s nummer, maar krijg ook bij haar geen gehoor.

Heb ik iets verkeerd begrepen? Gisteren hield Melanie me bij het naar huis gaan staande om te vertellen dat de vergadering niet in Grand Café Nultwintig zou plaatsvinden, maar op de uitgeverij. Ik meen me te herinneren dat ze daarbij specifiek het souterrain noemde, maar ik begin daar nu aan te twijfelen.”

Natuurlijk pakt dit helemaal verkeerd uit voor de arme Anne. Ze komt te laat en wordt publiekelijk vernederd en berispt door de invloedrijke Carla. Mocht ze een carrière bij een literaire uitgeverij overwegen, dan is die hoop bij dezen de bodem ingeslagen. De dames hier hebben zo hun maniertjes om veelbelovende nieuwkomers te elimineren. Alleen gaat dat bij deze stagiaire minder soepel dan verwacht.

Het titelverhaal springt er – terecht – uit. Hanna is samen met twee vriendinnen op een feesteiland om door middel van een ongeremde vakantie de mislukkingen en teleurstellingen die haar de laatste tijd zijn overkomen, te vergeten. Haar metgezellen zijn al snel in de relaxte modus van dit eiland geraakt, maar Hanna heeft moeite om haar problemen los te laten. Tot ze op een avond, bij één van de grootse party’s die hier regulier plaatsvinden, met behulp van drank en pillen flink doorzakt. Ze komt in een andere wereld terecht die schemerig maar heel herkenbaar is, en is klaar voor de loutering van haar verdriet. Dat leidt tot onverwachte gebeurtenissen.

Kortom, geen puntje van je stoel-boek, maar wel een fijne bundel.  

Sterren ***

ISBN 9789026351082

Uitgeverij AmboAnthos

Ook verschenen op De Leesclub van Alles

Delia Owens – Daar waar de rivierkreeften zingen

 

Delia Owens – Daar waar de rivierkreeften zingen

Een tragische romance op blote voeten

Voor ze dit romandebuut schreef was Delia Owens wildlifebiologe in Afrika en maakte documentaires voor National Geographic. Een verhaal vertellen kan ze, en ze heeft er succes mee: in de VS zijn meer dan 4,5 miljoen exemplaren van haar eersteling over de toonbank gegaan en de vertaalrechten zijn verkocht aan 41 landen.

Er zijn mensen die bij dit soort aanbevelingen voor geen goud zo’n boek gaan lezen, het motto indachtig: ‘4.5 miljoen vliegen kunnen het niet fout hebben’. Tot op zekere hoogte is dat begrijpelijk, maar wij geven het boek en de schrijfster een faire kans. Manmoedig beginnen we aan de eerste pagina en landen in de wereld van Kya Clark. Dat voelt unheimisch, alsof je van een brug springt in ijskoud water. Wat een droefenis.

En ook weer niet, maar laten we bij het begin beginnen. De zesjarige Kya opent het verhaal met het dichtslaan van de hordeur. Ze staat maïspap uit de pan te schrapen maar stopt om te luisteren. Wie is er uit de hut naar buiten gelopen? Niet ma. Die sloeg nooit met de deur. Nu toch wel – ma loopt het laantje af tot het punt waar ze altijd omkijkt en zwaait – daar wacht Kya op, maar tevergeefs. Ma komt niet terug. Nooit meer.

Ze blijft alleen achter met haar drankzuchtige en op gezette tijden gewelddadige vader. Haar broers zijn al eerder vertrokken en ma nu ook – het wordt eenzaam in de hut. Pa heeft in het leger gevochten, een handicap opgelopen en leeft nu van een uitkering. Regelmatig vertrekt hij voor onbekende tijd het moeras in met zijn bootje, Kya aan haar lot overlatend. Ze redt zich, al is het eten karig met alleen zelf gefabriceerde gruttenpap.

Owens lanceert deze geestelijkerwijs droevige maar paradijserwijs prachtige beelden van een wildlife leven op een onontgonnen plek; terug naar de natuur, als het ware. Alleen is die natuur niet erg vriendelijk. Het is heet, er zijn muggen en vette vliegen, het is bar moeilijk aan eten geraken als je iets anders dan oude grutten wil eten en het is eenzaam. Zeker als opgroeiend kind.

Maar Owens heeft Kya uitgerust met eigenschappen die zo’n rudimentair leven aankunnen. Ze is slim, handig, niet bang en vindingrijk. Ongeveer wat Robinson Crusoë ook was, alleen zat die op een onbewoond eiland. Kya moet af en toe ook in de bewoonde wereld, het dorp, zijn om handel te drijven met haar gerookte vis, om die te ruilen voor levensmiddelen. Dan komt een jongeman in beeld, een doodgewone jongen in een bootje. Uh-oh, weet de doorgewinterde lezer, er is trouble in paradise.

En zo is het. De problemen stapelen zich (in laag, laag tempo, dat wel) op, de arme Kya wordt op een bepaald moment verdacht van moord, en de plaatselijke politie pakt haar op. Hoe brengt de onschuldige ‘belle savage’ het eraf? En krijgt de romantiek nog een tweede kans? Owens houdt die spanning er lang in, heel, heel lang. Als je het geduld en de tijd ervoor kunt opbrengen, is het aan te raden door te bikkelen naar het eind. Die inspanning wordt uiteindelijk beloond.

Sterren ***

ISBN 9789044358902

Uitgeverij The House of Books

Ook verschenen op De Leesclub van Alles

Julie Brouant – De fantastische familie Zapato

 

Julie Brouant – De fantastische familie Zapato

Bewegende circustrucs op papier, komt dat zien!

Uitgeverij Boycott lijkt het patent te hebben op prentenboeken met zo’n nostalgische uitstraling dat één blik op de voorkant voldoende is om de kijker een tijdreis in te katapulteren. Terug in de tijd waarin kinderboeken het uiterlijk hadden van een beetje onhandig getekende mensen, hoekige vormen in een beperkt kleurenpalet van rood, geel en zwart.

Deze uitstraling heeft ‘De fantastische familie Zapato’. De oorspronkelijke versie heeft trouwens de nog welluidender titel: ‘L’incroyable famille Zapato’, en komt inderdaad uit Frankrijk, Parijs om precies te zijn. Juie Brouant maakte die beetje onhandige illustraties en zet daarmee een sfeer neer die als een handschoen past rond een circusfamilie.

Circussen zijn tegenwoordig bijna uitgestorven maar hier is zijn de circusartiesten nog fris en fruitig. De lezer/ bladeraar in dit pittoreske kleine universum krijgt uitleg van het verder naamloos blijvende meisje in de rode tuinbroek op de voorkant. Zij stelt haar circusfamilie voor: “In de familie Zapato heeft iedereen een heel speciaal talent.”

Niet voor niets begint ze op die manier te vertellen. Ze legt uit dat haar broer kan jongleren, dat haar oom een goochelaar is, dat haar zus de hoelahoep om haar middel kan laten draaien terwijl ze sierlijk met het lint staat te zwaaien …. en zij kan dat allemaal niet.

“Mijn opa is dompteur. Hij is voor geen enkel dier bang. Tijgers, olifanten, hondjes – hij houdt ze allemaal in bedwang.”

“Maar zodra ik bij de olifant in de buurt durf, spuit hij me helemaal nat met zijn slurf.”

Een op het oog simpele tekst, onderhuids bijdehand in elkaar gestoken. Het meisje is gefrustreerd dat iedereen alles kan, maar zij niet. Haar tekst is in uitstekend rijm neergezet, wat de tragiek verteerbaar en speelser maakt. En natuurlijk is er gedacht aan de onverhoopt blijvende schade die dit boek consumerende kinderzieltjes kunnen oplopen: er is een happy end. Dat lucht op.

Als bonus wordt bij dit boek een heel toepasselijke gimmick geleverd. Een magisch folie. Met dat folie kun je van links naar rechts over de pagina’s bewegen, waarmee de circustrucs tot leven komen. Zoals dat hoort bij circussen: je beleeft een spektakel. 

Sterren ****

ISBN 9789492986214

Uitgeverij Boycott

Ook verschenen op De Leesclub van Alles

 

Elsbeth Etty – Minnebrieven aan Maarten

 

Elsbeth Etty – Minnebrieven aan Maarten

Een feestelijk boek voor een onwillige jubilaris

Eventueel is het u ontgaan, maar Maarten ’t Hart vierde op 25 november 2019 zijn 75e verjaardag. Maarten zelf zou de gelegenheid ongetwijfeld het liefst geruis- en pijnloos laten passeren gezien zijn schurfthekel aan verjaardagen, zeker als die hemzelf betreffen. Maar hij rekende buiten Elsbeth Etty. Zij besloot dat het tijd werd voor een ‘Minnebrieven-boek’ dat de relatie tussen leven en werk van de populaire schrijver illumineert.

In het voorwoord expliceert Etty de conceptie van dit boek. Een feestbundel of verjaardagscadeau, daar zit Maarten niet op te wachten. Evenmin wordt hij enthousiast van ‘een verkenning waarbij ik zijn werk en leven met elkaar confronteer.’ Met afgrijzen reageert Maarten als hij een biografie vreest: “Ik heb het altijd een reuze akelige gedachte gevonden dat ooit iemand een biografie over mij zou schrijven.” En een boek gebaseerd op gesprekken tussen Etty en ’t Hart maakt de schrijver ook niet enthousiast: “…maar om van je tachtigste tot je achtentachtigste elke vrijdagmiddag je biograaf over de vloer te hebben, lijkt me eerlijk gezegd tamelijk vreselijk…”

Aldus werd de spoeling om ‘iets’ te maken dun, maar niet getreurd, er was nog een optie: een minnebrievenboek – naar Multatuli: ‘’t Is alles! Poëzie, sarcasme, politiek, wellust, scherpte, logica, godsdienst.’ Om dat alles aan de schrijver te ontlokken ging Etty hem met bezoekjes vereren en doet vanaf dat moment verslag: in de lente van 2019 bezocht ik voor het eerst Maassluis. Het voelde meteen vertrouwd, omdat alles overeenstemde met het beeld dat Maarten ’t Hart in romans, verhalen en essays van zijn geboorteplaats schetst. Ik zag de stad door zijn ogen en vond er moeiteloos mijn weg. Niets bleek verzonnen, zelfs de onwaarschijnlijke namen van locaties als Wip, Wijde Slop en Het Hoofd bestaan echt, net als het wonderlijke licht dat er zachter, helderder, warmer lijkt dan overal elders.”

Etty koppelt de feiten die voortkomen uit de bezoekjes behendig aan één van de redenen van de publiciteit: “Kort daarop las ik De nachtstemmer, ’t Harts nieuwste roman, waarin een objectieve buitenstaander verslag doet van zijn eerste bezoek aan ‘dit stinkende, luidruchtige havenstadje,’ met z’n idiote straatnamen en primitieve inwoners. Gezien door de ogen van een vreemdeling verandert het paradijs in een hel.”

Natuurlijk voert de interviewster ook gesprekken met de jubilaris over het werkelijkheidsgehalte van zijn boeken. Zijn algemeen bekende hoofdthema’s komen aan de orde: geloofsafvalligheid, homoseksualiteit en natuurlijk travestie. Dat laatste kan niemand ontgaan zijn nadat Maarten een tijdlang publiekelijk verscheen in vrouwenkleren.

Nog wat feiten: ’t Hart bereidt zich altijd haast manisch grondig voor op zijn boeken. Dat deed hij ook toen men De vrouw bestaat niet wilde publiceren, een bundel artikelen die hij in de loop der tijd over het feminisme geschreven heeft. Hij wilde eerst de artikelen bundelen, maar toen hij ze opnieuw las, bleek er zoveel in de artikelen verouderd, dat hij er slechts een paar in de bundel opnam. De rest schreef hij gewoon opnieuw.

Leuke weetjes en feitjes allemaal. Niet dat we echt iets nieuws over onze veelschrijver te weten komen, maar zijn enorme schare fans zal het boek vast op waarde weten te schatten. De onwillige jubilaris zelf op zijn eigenwijze manier vast ook.

Sterren **

ISBN 9789029540421

Uitgeverij Arbeiderspers

Ook verschenen op De Leesclub van Alles

Johnny Bollé – Hij noemde me Duivelskind

 

Johnny Bollé – Hij noemde me Duivelskind

Jacht op de mysterieuze kwaadaardige sleutelmoordenaar

De tekst op de achterflap wekt verwachtingen: “Hij noemde me Duivelskind is een razend spannende thriller met een totaal onverwachte intrige waarin wraak, misverstanden en misplaatst vertrouwen centraal staan.” Het kan ons razend spannend noch totaal onverwacht genoeg zijn, dus snel lezen dan maar, dit derde boek van thrillerauteur Johnny Bollé.

Bollé laat zijn woonplaats Antwerpen het decor zijn voor een verhaal in de modellenwereld, wat de authenticiteit ten goede komt. We ontmoeten Seth, die blij zijn nieuwe kantoor betreedt. Hij is door bazin Rochelle pas benoemd, of bevorderd, tot Head Booker van modellenbureau Rochelle Models. Die wisseling van de macht gaat gepaard met jaloezie en scheve ogen bij gepasseerde collega’s Tara en Sylvana. Het is duidelijk: de sfeer op de werkplek gaat er niet erg op vooruit.

Dat zal Seth worst wezen. Ook met het vervelende feitje dat zijn voorganger Becky vermoord (met haar lichaam onherkenbaar verminkt) teruggevonden is, heeft hij niks te maken. Hij heeft belangrijk werk te doen want Hope, het nieuwe model, komt vandaag kennismaken. Ze is oogverblindend zoals verwacht, en gaat de geplande fotoshoot van Anton Bruneel doen. Zaken zijn zaken.

Behendig trekt Bollé zo in een paar bladzijden de lezer het verhaal in, dat zich verder kan gaan afwikkelen. De tekst is met vaart geschreven, toegankelijk, met voldoende afwisseling om boeiend te blijven en de lezer wordt bij de les gehouden doordat regelmatig nieuwe ontwikkelingen oppoppen. Dat is het goede nieuws.

Jammer is het, dat de afwerking van de tekst soms slordig is. De redacteur die naar de tekst had moeten kijken, heeft wat gemist. Een paar taaltechnische omissies:

Pagina 15: “Het papperige mengsel van brood, aardbeienjam en koffie met veel melk smaakt vies in mijn mond…” ‘Smaakt vies’ is een contaminatie. Iets ‘smaakt niet’ of ‘is vies’.

Pagina 53: “En God weet wat er dan gebeurd.” Gebeurt.

Dan de stijl. Daarover lopen de meningen altijd uiteen, maar de stijl van Bollé heeft de neiging zich te buiten te gaan aan zinnen die lijden aan te veel uitleg. Een oude schrijverswet zegt het al: ‘Show, not tell’.

Pagina 22: “Wanneer ik het object in mijn hand neem en het op het bureau zet, gaat er een schok van verbijstering door mijn lichaam. … Melancholische tranen vullen mijn opengesperde ogen.”

Pagina 23: “Ze ziet eruit zoals ik verwacht dat elk model dat zich in mijn bureau komt aanbieden, er moet uitzien.”

Pagina 113: “Er ontsnapt opnieuw een diepe zucht aan mijn mond. Een triest, melancholisch gevoel overvalt me wanneer Clara Luciani haar Franse hit inzet.”

Verder geen gemier, we willen de grote lijn van het boek niet te kort doen. Die klopt namelijk wel en is goed uitgewerkt. De problemen van Seth bijvoorbeeld, die op een ochtend wakker wordt en zich niets herinnert van wat er afgelopen nacht is gebeurd. Pech voor hem. In die nacht zijn juist een paar erg belangrijke dingen gebeurd waar hij mee in verband wordt gebracht. Dat zorgt voor meerdere slapeloze nachten, en is meteen een goeie cliffhanger die de thriller aanjaagt.

Ook de bizarre gewoonte van de moordenaar om sleutels in de de slachtoffers te proppen brengt een verdieping aan in het verhaal. Waarom, hoezo, wie is er zo gestoord? Bollé houdt het spannend genoeg om te willen weten wie het gedaan heeft en dat is voor een razend spannende thriller onontbeerlijk. De oplettende lezer zal fors moeten combineren en deduceren om nog voor de grande finale al te vermoeden wie die sleutelmoordenaar is. Benieuwd wie dat voor elkaar krijgt.

Sterren **

ISBN 9789462421189

Uitgeverij Kramat

Ook verschenen op De Leesclub van Alles

Nina de Pass – Mijn jaar na jou

 

Nina de Pass – Mijn jaar na jou

 Het komt nooit meer goed – of toch?

Hoe ga je om met een schuldcomplex? Met de nare waarheid dat je beste vriendin Georgina in een ongeluk omgekomen is – door jou? Niet erg goed, merkt Cara, die negen maanden later nog niet over het ongeluk heen is. Haar moeder ziet dat ook en hakt de knoop door: ze stuurt Cara naar een kostschool in de Zwitserse Alpen om haar verdriet te verwerken.

En dus zet de taxichauffeur Cara op een ijskoude dag in een sneeuwstorm af bij haar nieuwe school.

“’Je bent er,’ zegt hij met een armgebaar naar het enorme gebouw.

Het heeft meer weg van een Russisch paleis dan van een school: het heeft een hemelsblauwe, gladde gevel en is minstens zes verdiepingen hoog, met drie gouden koepels op het dak. Rond alle symmetrische, ouderwetse ramen zit afbladderende goudverf en op de begane grond steken er mintgroen-met-wit-gestreepte zonneschermen uit.”

De school is voor Cara een eenzame plek. Ondanks de lange blonde jongen Fred en het meisje met het rode haar Ren, die haar helpen om haar bagage naar haar kamer te brengen. Ook maken ze Cara wegwijs in de geschreven maar voornamelijk in de ongeschreven schoolregels. Dan is er nog Hector, een lange jongen met een olijfkleurige huid, hoge jukbeenderen en zwoele groene ogen. Ze denkt eerst dat ze hem ergens van kent, maar dat kan niet, niet hier in Zwitserland.

Ondanks de behulpzaamheid van Fred, Ren en steeds meer ook Hector, geeft Cara zich niet bloot. Het enige dat ze van haar te weten komen is dat ze uit Californië komt en door haar moeder bij wijze van therapie hierheen is gestuurd. Zo doet haar best, maar het lukt Cara niet om haar schoolvrienden te vertrouwen. Zelfs Hector niet, ook niet als die flink blijft aandringen. Wel krijgt ze wat warmere gevoelens voor hem, die ze meteen weer wegdrukt. Ze gunt zichzelf geen plezier.

Haar nieuwe vrienden geven het natuurlijk niet op. Ondanks haar stugge houding dringen ze met hun goede bedoelingen langzaam tot haar door. De gebeurtenissen uit het verleden komen onstuitbaar naar boven, steeds meer. Zou er een ramp gebeuren als ze alles zou vertellen aan haar vrienden en aan Hector?

Dat merk je vanzelf als je dit verhaal tot het einde toe volgt. Moeilijk is dat niet, want het boek is meeslepend geschreven. De schrijfster geeft steeds net genoeg informatie om nieuwsgierig te blijven (wat is er nu echt gebeurd met Georgina!?). Ook de langzaam groeiende liefde tussen Cara en Hector is spannend genoeg om steeds weer op de volgende bladzijde te kijken of ze elkaar al kussen.

Met een fijne 318 bladzijden is dit boek zo een lekkere dikke pil om – pakweg – een zomervakantie door te komen. Romantiek gecombineerd met schuldgevoel, kan het lekkerder?

Sterren ***

ISBN 9789000370429

Uitgeverij van Goor

Ook verschenen op De Leesclub van Alles

Stephen King – Als het bloedt

 

Stephen King – Als het bloedt

Meer is niet altijd beter

Vier verhalen die samen een boek vullen van ruim 400 pagina’s. Er zijn schrijvers die verhalen van deze omvang gewoon uitbrengen als boeken. Echter, dit is Stephen King, de man die op een achternamiddag meer woorden poept dan een gebarentolk kan uitbeelden, zodat er voor je het weet weer een nieuw deel is toegevoegd aan zijn al waanzinnig uitgebreide oeuvre.

De achterflap toetert: ‘Vier briljante nieuwe verhalen van de meester van de suspense’. Briljant, alle vier? Dat maken we zelf wel uit, beginnend met de eerste: ‘De telefoon van meneer Harrigan’. Verteld vanuit het perspectief van de jongen Craig, opgroeiend in een landelijke omgeving waar weinig spectaculairs gebeurt. Voor Craig is het helpen in de huishouding bij de rijke, wat prodigieuze meneer Harrigan dan ook een welkome afwisseling van het dorpse leven.

Die twee liggen elkaar wel, ondanks de soms botte en hardvochtige houding van de oude man. King beschrijft hun relatie met een vrij sentimentele ondertoon, een beetje zoals een opa met zijn kleinkind zou omgaan. Eigen ervaring wellicht? Die jongen/man verhouding is de sterke kant van het verhaal. Als de pointe wordt toegevoegd in de vorm van een iPhone 1.0 die een belangrijke rol gaat spelen als doorgeefluik vanuit het hiernamaals, komt helaas de plausibiliteit in het geding.

‘Het leven van Chuck’ doet al meteen een fors beroep op het inlevingsvermogen van de lezer door het verhaal te situeren op het moment dat het einde van de wereld begint. Zakenman Chuck Kranz is een rolmodel zakenman die centjes verdienen tot zijn levensdoel heeft gemaakt. Met een lange intro gaan we met Chuck mee, tot hij langs een spontane straatartiest-drumsessie loopt. De muziek grijpt hem bij zijn kladden, laat zijn innerlijk spreken en het duurt niet lang voor hij op de stoep danst zoals hij dat vroeger in zijn tienerjaren deed. Dansen op de vulkaan nog net voordat de rest van Californië en vervolgens de hele VS in zee stort, dat idee.

In het titelverhaal ‘Als het bloedt’ komt oudgediende in het King-universum Holly Gibney in beeld. Trouwe lezers zullen haar herkennen uit ‘Mr. Mercedes’ als eigenares van het detectivebureau Finders Keepers: een wat tobberige vrouw die desondanks als een bloedhond zelfs het flauwste spoor kan traceren tot ze de dader vindt. Dat gebeurt ook hier: ze bijt zich vast in een vermoeden, dat pas heel veel later bewaarheid wordt en haar meteen in een levensgevaarlijke situatie brengt. Kings handelsmerk komt hier weer bovendrijven: het bovennatuurlijke. Grappig verhaal, niet overtuigend geloofwaardig maar dat gaat op voor veel van Kings verhalen. Als je niet bereid bent samen met hem af te dalen in een subwereld van demonen en aliens, ben je ook geen fan van zijn werk.

[Let op: spoileralert van het titelverhaal]

Dit zegt de schrijver zelve over het ontstaan van het verhaal ‘Als het bloedt’:

“Het begon me op te vallen dat bepaalde televisieverslaggevers altijd overal opduiken waar zich verschrikkelijke tragedies hebben afgespeeld: neergestorte vliegtuigen, massale schietpartijen, terroristische aanslagen, overleden beroemdheden. Gebeurtenissen die zowel in het lokale als in het nationale nieuws een prominente plaats innemen; iedereen in het wereldje kent het gezegde: ‘Als het bloedt, verkoopt ’t goed.’ (When it bleeds, it leads – NV) Het verhaal bleef ongeschreven omdat iemand op het spoor moest komen van het bovennatuurlijke wezen dat zich voordeed als televisieverslaggever en leefde van het bloed van onschuldigen. Ik kwam er maar niet uit wie dat moest zijn. Toen, in november 2018, realiseerde ik me dat het antwoord op die vraag me al die tijd recht in het gezicht had gestaard: Holly Gibney natuurlijk.’

Gelukkig is het laatste verhaal het beste. Hier treffen we bekende elementen aan. Een schrijver die het boek van zijn leven wil schrijven maar het niet op papier krijgt. Om dat toch te doen slagen, sluit hij zich op in een afgelegen huis in een nog afgelegener bos. Er is een merkwaardige ontmoeting met een rat die hem wil helpen, in ruil voor … Vul de rest maar in.

King gaat hier heerlijk los op zijn eigen metier en laat de arme schrijver tobben met weerbarstige blanco pagina’s, de hemeltergende keus die een schrijver altijd moet maken tussen woorden die ongeveer (maar niet exact, ha!) hetzelfde uitdrukken, de discipline die nodig is om elke dag weer die laptop open te klappen en tien pagina’s vol te schrijven, de verleiding van verdovende middelen (in dit geval hoestdrankjes en pillen), en de stem in zijn hoofd die zegt: ‘het gaat je dit keer ook niet lukken, hou er maar mee op.’ Ook spot King met het cliché dat hij hier oppoetst: de deal met de duivel. Want nee, de rat heeft inderdaad weinig goeds in de zin.

De wisselende kwaliteit van de verhalen hoeft de fans er niet van te weerhouden deze tuinplavuis aan te schaffen. Alleen al voor het plezier dat van het laatste verhaal afspat, kun je het boek gerust lezen. Maar klaag niet als er door de ongebreidelde woordenbrij een flink aantal leesuren in gaat zitten. Ook die exuberantie is het handelsmerk van de meester.

Sterren ***

ISBN 9789022590256

Uitgeverij Boekerij

Ook verschenen op De Leesclub van Alles

Arend van Dam – Hoe fel de zon ook scheen

Arend van Dam en Alex de Wolf – Hoe fel de zon ook scheen 

Ongemakkelijke verhalen uit de Tweede Wereldoorlog

Waargebeurde geschiedenissen over gewone mensen in oorlog, in een door vreemdelingen bezet land dat Nederland heet. Hier kun je lezen hoe het moet zijn geweest om in een onderdrukt land te leven waar je doodgeschoten kon worden als je iets deed wat de bezetter niet wilde.

Arend van Dam verzamelde en herschreef de verhalen in dit door Alex de Wolf zachtjes en wonderlijk mooi geïllustreerde, stevige boek. Verhalen en tekeningen zijn levendig, helder, duidelijk en meestal doen ze een beetje pijn. Dat ongemak heb je met oorlog.

Rie Mastenbroek bijvoorbeeld, was een hele goeie zwemster. Ze mocht daarom meedoen aan de Olympische Spelen die in Duitsland werden gehouden. In die tijd was ene Adolf Hitler aan de macht en onderweg in de trein naar de Spelen praatte Rie met de andere sporters over de vreemde ideeën van Adolf. Die man denkt dat alle blanke mensen goed zijn, en alle andere mensen zijn ‘ondermensen’. Ook denkt hij dat de Joden de schuld zijn van alles dat misgaat. Toen ze in het stadion gingen sporten, schrokken ze van de rood met witte vlaggen met een hakenkruis erop. Maar daar kwam Rie niet voor, ze kwam om te zwemmen, en wel sneller dan ooit.

Dat deed ze: ze won drie gouden medailles. En een zilveren op de honderd meter vrije slag. Ook won haar vriendin Willy goud met estafette hardlopen. Blij gingen ze naar huis – en het werd oorlog. Alles veranderde. Jaren later komen de vrienden weer bij elkaar en vertelde Rie:

“‘Mijn medailles heb ik weggegeven. Iedereen vraagt altijd: “Zeg Rie, waarom ben je eigenlijk naar Berlijn gegaan? Je had toch wel kunnen weten dat die Hitler niet deugde?” Maar wat kon ik eraan doen? Ik zwom niet voor die akelige dictator. Ik zwom voor mezelf.’

‘Dat is wel zo,’ zei Tinus. ‘Maar we hebben ons toch ook een beetje laten gebruiken.’  …

‘Het is verschrikkelijk wat er allemaal is gebeurd,’ zei Rie. ‘Maar wij konden dat toen nog niet weten. Ik zou zo graag een beetje trots willen zijn op mijn medailles. Ik heb toch niemand kwaad gedaan door zo hard mogelijk te zwemmen?’”

Zo heeft elk verhaal zijn eigen tragedie. Het titelverhaal ‘Hoe fel de zon ook scheen’ gaat over de dierentuin van meneer Ouwehand, die vlakbij de grens ligt. De generaal van het Nederlandse leger belde meneer Ouwehand en zei dat er oorlog dreigde en dat hij soldaten naar de dierentuin zou sturen om Nederland te verdedigen. Toen de soldaten aankwamen hadden ze een leuke tijd, en de mensen die de dierentuin bezoeken ook. De zon scheen uitbundig. De mensen in de rij voor de kassa waren in vakantiestemming. Het zou vast geen oorlog worden. Niet met dat mooie weer.

En toen brak de oorlog uit. De Duitsers rukten op en de generaal van het Nederlandse leger belde weer: ‘Ik wil niet dat mijn soldaten gevaar lopen door uw wilde dieren.’ Hij ging iemand sturen om de roofdieren dood te schieten. Toen nam de directeur van Ouwehands Dierenpark waarschijnlijk de verschrikkelijkste beslissing van zijn leven: als zijn dieren dood moesten, dan deed hij het liever zelf. Met een geweer schoot hij alle gevaarlijke dieren dood. Behalve een IJsbeermoeder met twee jongen, die verstopte hij in een hok. Hoe het verder afloopt, is in het boek te lezen.

Samenvattend zijn dit best gruwelijke verhalen van gewone mensen die overvallen worden door een oorlog. De subtiele tekeningen van Alex de Wolf versterken door hun zachte pastelkleuren en vriendelijke contouren het dubbele gevoel dat leven middenin een oorlog moet geven. Arend van Dam heeft deze 20 verhalen terecht aan de vergetelheid ontrukt. Zodat we ze onthouden.

Uitgeverij van Holkema en Warendorf

Sterren ****

ISBN 9789000371136

Ook verschenen op De Leesclub van Alles

 

Bas Heijne – Mens\onmens

Bas Heijne – Mens/onmens

Goede keuzes maken is nog niet zo simpel

Een boek van bescheiden omvang, dat is ‘mens/onmens’, maar de hoge intellectuele dichtheid van de tekst doet die omvang snel vergeten. Formaat doet er niet toe: zoals bij de meeste goede boeken gaat het hier om de inhoud. Heijne, huisfilosoof van verschillende dag- en weekperiodieken, scherpt in dit essay zijn geest aan de menselijke aard. Zoals bekend is die gevarieerd en in sommige gevallen ongrijpbaar, maar die wetenschap schrikt Heijne niet af. In dit essay beziet hij in gewone mensentaal onze hedendaagse obsessies met waarheid en identiteit.

Om te beginnen: Heijne’s betoog is soepel geschreven. Dat lijkt makkelijk, maar zoals Hemingway al stelde: ‘easy reading is hard writing’. Respect daarom voor een tekst met aansprekende, actuele voorbeelden en sprekende vergelijkingen, die prettig leest, ook als de filosofische diepte wordt opgezocht. De geïnteresseerde leek zal op sommige punten wat moeite moeten doen om zijn betoog te doorgronden, maar persisteren is hier zeker de moeite waard.

In het eerste van de drie delen waarin de tekst is opgedeeld, voert hij een vers in het collectieve geheugen liggend incident op: de brand van de Notre-Dame. Bij die brand in april 2019 is hij zelf, wonend in Parijs, aanwezig en kan de reacties van de andere Fransen peilen. Dit soort uit het leven gegrepen voorbeelden houden de tekst aantrekkelijk, nodigen uit om door te lezen en leggen dieper spittende onderwerpen beter uit.

Later, via sociale media, wordt de brandweer als laks en onbekwaam neergezet. Of toch niet, melden diezelfde media weer later. Zo wisselt de opinie bijna per dag van mening, nieuwe theorieën over de restauratie komen naar boven, voor elk wat wils, en je zult als onschuldige burger je keuze moeten maken wat je wilt geloven, elk moment van elke dag. Dat is het hedendaagse dilemma. Met alle informatie die op je afkomt, trollenlegers, fakenews, politieke propaganda, twittererupties, hoe maak je die keus? Wat is waar? En wat geloof je?

Een citaat van de baas van de Russische propagandazender Russia Today over een haatbanaan laat zien hoe cynisch de waarheid kan zijn:

“’Er is altijd een Russische invalshoek. Neem een banaan. Voor de een is het voedsel. Voor de ander is het een wapen. Voor een racist is het iets waar je een zwarte mee kunt pesten.’” …

Waarop Heijne betoogt:

“Wát de banaan betekent, is afhankelijk van de situatie waarin die banaan ‘beleefd’ wordt – als lekkernij, als iets gezonds uit de Schijf van Vijf, als racistisch symbool. Wanneer je die laatste betekenis kwalijk en kwetsend vindt en ertegen in wil gaan, heeft het geen enkele zin met de biologische feiten over die banaan aan te komen…

Anders gezegd, de ‘objectieve’ banaan staat niet tegenover de ‘subjectieve’ banaan. De ‘objectieve’, feitelijke beschrijving van de banaan bevindt zich in een ander domein, zonder raakvlak met de denigrerende, kwetsende betekenis van de banaan. Het is op geen enkele manier een afdoende weerlegging van het bestaan van de haatbanaan.”

Met deze vaststellingen kan hij in het tweede deel dieper ingaan op de (politieke) krachten die heersen, het oprukkende populisme, de haat tegen de elite en de aantrekkingskracht van het horen bij een groep. Welke groep dan ook.

In het derde deel komen de idealen van de aloude Verlichting aan bod. Zijn ze nog aard- en nagelvast? Welke waarde hebben de neo-linksen tegenwoordig, of de oud-rechtse rakkers? Wat betekent de Trumpiaanse olifantindeporceleinkast-politiek voor de VS? En het oprukkende nationaal populisme voor de wereld? Heijne laat er met indrukwekkende eruditie zijn licht over schijnen. Als besluit filosofeert hij over het mensbeeld in deze tijd, en geeft zijn eigen overtuigingen ter overdenking. Een waardenvol essay.  

 

Sterren ****

Uitgeverij Prometheus

ISBN 9789044641479

Ook verschenen op Hebban en De Leesclub van Alles