Herman Koch – Het koninklijk huis

Geforceerde koningshuissatire

Er staan 6 uitstekende boeken op mijn Herman Koch-plankje. ‘De greppel’, ‘Beste meneer Mulisch’, ‘Het Diner’, ‘Eindelijk oorlog’ en ‘Red ons, Maria Montanelli’.’ Qua stijl en onderwerpkeuze een behoorlijk breed scala. Favoriet voor mij is ‘Het Diner’, een geweldige, diepgaande zoektocht naar inwendige rechtvaardigheid.

In dit ‘Het Koninklijk Huis’ waagt Koch zich aan satire. Niet dat die stijlvorm hem vreemd is – zijn beste teksten zijn doorspekt met deze meestal niet zo milde spot. Hier voegt hij er nog een originele vorm aan toe: het is een modern koningsdrama. In Aflevering 1 laat Koch de koning aan het woord:

“De koningin sliep.

Haar man, de koning, was zachtjes, vrijwel zonder geluid te maken, uit bed gestapt en naar het raam gelopen. … Voorzichtig – hij wilde haar niet meteen wakker maken – trok de koning de gordijnen nog wat verder open, zodat een rood met goudgeel doorsneden zonnestraal op het hoofdeind van het bed viel, net naast haar slapende gezicht, het in een brede waaier over het kussen verspreide haar.

Elke ochtend verbaasde hij zich er weer over dat hij deze vrouw tot de zijne had kunnen maken. Elk uur van de dag. Vanaf het moment dat ze uit bed stapte, haar kimono aandeed en op blote voeten naar de badkamer liep, tot aan de late avond, het uur waarop ze de elastiekjes en kammetjes uit haar haar trok, het losschudde en aan haar kant het donzen dekbek terugsloeg…

Achter zijn oogleden schoven de beelden over elkaar heen: haar naakte lichaam, de kimono en daarna opnieuw alleen haar lichaam, onder de waterstralen. Hij zou willen dat hij een van de druppels was…”

Hier, beste lezer, stoppen we even met citeren. Het relaas van ‘de koning’ krijgt hier namelijk pathetische trekjes en seksueel getinte gedachten, rechtstreeks uit een adolescenten brein ontsproten. Dit zou ik geen satire noemen maar platte puberlol.

En die lol wordt niet veel beter helaas. Koch vergroot de karakters van koning en koningin sterk uit, waarbij de koning duidelijk favoriet is om te worden gebashed. Niks mis mee, als er wat afwisseling in die rolverdeling verwerkt zou zijn. Of er onverwachte wendingen zouden opduiken. Maar dat gebeurt niet, en daardoor wordt het ‘Koningsdrama in tien bedrijven’ wel erg voorspelbaar.

In Kochs voordeel vallen dan nog wel de stukken tekst uit, waarin hij de geloofwaardigheid (en het nut) van een geldverslindend koningshuis aan de kaak stelt. Dat is in deze tijden inderdaad een terechte vraag. Maar het geeft niet genoeg tegengas aan de rest van het vrij slappe verhaal. Een aardige vingeroefening, laten we het daar op houden, en volgende keer graag weer een niveautje hoger.

ISBN: 9789026365027

Sterren: **

Uitgeverij AmboAnthos

Ook verschenen op Bazarow 

Tahmina Akefi en Peter R. de Vries – Mijn grote liefde

Hoe geweld een liefde verscheurde

Het is een beetje een eigenaardig boek, deze duobiografie. Tahmina Akefi en Peter R. de Vries zijn sinds 2015 met elkaar bevriend – sterker nog, ze hebben een relatie. Die begon toen ze elkaar tegenkwamen in de visagieruimte van het praatprogramma Pauw, waar ze in september 2015 beide te gast zijn, en er zoals dat heet, liefde op het eerste gezicht was.

De wederzijdse aantrekkingskracht ontwikkelt zich tot een steady relatie. En de twee besluiten hun liefde te vereeuwigen in een boek. Een gezamenlijk boek. Tot de aanslag op het leven van Peter deden ze dat ook – daarna was Tahmina gedwongen het boek af te maken.

Maar het is gelukt, getuige de mediumdikke paperback die is uitgebracht. In de eerste helft van het boek schrijven Peter en Tahmina om de beurt een hoofdstuk, wat aan Peters kant een aardig inkijkje oplevert van wat een misdaadverslaggever zoal meemaakt.

Maar ook de privékant van zijn leven komt aan bod. Bijvoorbeeld als de kruitfabriek in Muiden ontploft, waar zijn vader de president-directeur is:

“Hij was groot, grijs, had donkerbruine ogen achter een goudkleurig brilmontuur en een ernstige, vastberaden blik. No small talk. Geen werknemer maar een werkgever. Altijd een beetje afstandelijk, gereserverd. Je plicht doen, je werk doen, dat was belangrijk. En zo kwam het dat vader Wouter de Vries en zijn derde zoon Peter Rudolf daar nu voor die afgesloten fabriekspoort ineens tegenover elkaar stonden.. Mijn vader was verrast dat ik er al zo snel was. ‘Wat is er gebeurd, pa? Klopt het dat het gebouw 17 is’ vroeg ik. Ja, ik stond daar natuurlijk als journalist, dan vraag je dat.

‘De persconferentie is om halftwee, Peter,’ antwoordde mijn vader.

Geen voortrekkerij. Zelfs dan niet…”

Aan Tahmina’s kant lezen we dat haar ouders elkaar leerden kennen in Herat, een stad in het westen van Afghanistan. Vier jaar voor haar geboorte vallen de Russen Afghanistan binnen.

Een gebeurtenis die een diepe indruk bij Tahmina achterlaat, maar nog veel diepere vreugde als de Russen begin 1989 weer vertrekken:

“’De vuile ongelovigen hebben verloren,’ zeiden kinderen op straat, naar wat ze thuis van hun ouders hoorden. Er heerste een gevoel van euforie bij een deel van de bevolking dat niets moest hebben van buitenlanders. Een ander deel hield zijn hart vast. De Russen waren er voor hun eigen belang, maar wat was het alternatief?…

Als zesjarige drong dit alles niet tot me door. In mijn kleine wereld veranderde er toen niet veel…”

Zo werken de twee naar elkaar toe tot ongeveer op de helft de bijdrage van Peter ophoudt. Vanaf dat moment wikkelt Tahmina het verhaal af. Een interessant verhaal, al is het alleen al door de bijzondere liefdesgeschiedenis. De liefde tussen die twee springt eruit als ze in hun verhalen niet over algemene zaken maar over elkaar, en aan elkaar, schrijven. Dat zijn de mooie stukken die een beetje tegenwicht geven aan de gruwelijke aanslag die de twee makers van dit wrange boek uit elkaar sloeg. Laten we het beschouwen als een gedenkteken.

ISBN: 9789044650341

Sterren: ***

Uitgeverij Prometheus

Ook verschenen op Bazarow en op TikTok

César Aira – De haas

Zoek de legibreriaanse haas

Ha, een nieuw boek van de auteur van ‘Het literatuurcongres’. Net als dat boek heeft ook deze uitgave een misleidend simpele titel die een extreem kronkelende inhoud herbergt. Dit keer gaat het om een zoektocht naar een hoppend knaagdier dat bekend staat als de legibreriaanse haas.   

Het is dit verhaal, virtuoos als altijd omhuld door mistflarden en misleidende wenteltrapbewegingen, dat als een sneltrein de lezer meeneemt in een bizarre wereld. Wat er precies gezocht wordt en waar en waarom en hoezo, is niet helemaal duidelijk, maar er is actie. Veel actie.

Een zekere Clarke instigeert de klopjacht naar de haas. Als Engelsman weet hij de weg in Argentinië niet erg secuur, daarom gebruikt hij een gids. En o ja, er loopt ook een jonge aquarellist mee. Een bonte verzameling mensen, meningen en karakters die de pampa onveilig gaat maken. Dat is grosso modo waar het boek om draait. Een queeste die woordkunstenaar Aira met speels gemak uitbouwt tot een hilarisch festival van misverstanden.

Een klein voorbeeld van de gortdroge stijl die dit verhaal draagt: Hier komt het reisgezelschap aan bij een groep Indianen. Clarke is tolk:

“’Spreken jullie Voroga?’ vroeg hij.

‘Uiteraard meneer. Wij zijn Voroga,’ antwoordde degene die eerder het woord had gevoerd. Clarke verstond hem uitstekend. Hij besefte dat hij hem eerder ook had verstaand. Ze hadden gezegd: ‘Goede dag, we hopen dat we uw rust niet hebben verstoord, maar het viel ons moeilijk onze nieuwsgierigheid te bedwingen, aangezien bezoek in deze contreien zeldzaam is.’ Waarom had hij het idee gehad de man niet  te verstaan?…

De tien talen die binnen de Mapuche-familie werden gesproken en die Clarke al sinds vijftien jaar bestudeerde, onderscheidden zich van de rest van de talen op de wereld, onder meer door dit opmerkelijke aspect: het waren talen waarin vreemdelingen beleefd bejegend werden, niet omdat de sprekers dat zo hadden afgesproken, maar als gevolg van de structuur van de taal zelf, althans op spreekniveau.”

Het hele boek citeren zou de prachtig pulserende taal van Aira pas echt goed recht doen, maar dat is binnen deze recensie wat te hoog gegrepen. Hopelijk geven de citaten een verleidelijk duwtje de goede kant op om deze roman te gaan lezen. Zo niet, doe dat dan zelf. Het zal u bevallen.

ISBN: 9789083295589

Sterren: ***

Uitgeverij: Koppernik

Ook verschenen op Bazarow 

Ingeborg Bachmann – Doodsoorzaken

De omineuze Malina

Het is niet de bekendste naam in het literatuurcircuit, maar fijnproevers weten haar te vinden: Ingeborg Bachmann. Een Oostenrijkse schrijver die twee dichtbundels, een verhalenbundel en na een lange pauze de roman Malina publiceerde. Bachmann stierf in 1973 in Rome aan de gevolgen van een brandongeval.

Gelukkig hebben we haar nalatenschap nog. Uit haar publicaties stelde uitgeverij Koppernik deze bundel samen. De stevige titel ‘Doodsoorzaken’ is een overkoepelende naam voor teksten die in steeds sterkere mate het stempel van onvoltooidheid dragen. ‘Malina’ is daar het voorbeeld van, een roman die Bachmann publiceerde twee jaar voor haar dood.

Bachmann zelf hierover: ‘Malina’ is uitdrukkelijk een autobiografie, maar niet in de traditionele zin. Een geestelijke, denkbeeldige autobiografie. Deze alleenspraak, deze nachtelijke existentie heeft niets te maken met de gangbare autobiografie waarin bepaalde mensen hun levensloop en avonturen vertellen.”

De bundel is een dikzak van precies 501 bladzijden. Daarin vinden respectievelijk ‘Malina’, ‘Het geval Franza’, ‘Requim voor Fanny Goldmann’ en ‘Frankfurter Buchmesse’ een plaats. Het wonderlijke is dat ‘Malina’ door al die verhalen heen echoot. Misschien is dat onvermijdelijk als we de ontstaansgeschiedenis daarvan lezen, die tegen het obsessieve aanleunt.

Die focus volgend, bekijken we eerst ‘Malina’. Het is opgezet als een klassiek toneelstuk/verhaal. Keurig krijgen we eerst een lijstje van de personages met hun achtergrond en karakter. Dan start op dagboekachtige wijze het verhaal:

“Alleen over de tijdsaanduiding moest ik lang nadenken, want het is mij bijna onmogelijk ‘vandaag’ te zeggen, hoewel je elke dag ‘vandaag’ zegt, ja, moet zeggen, maar als mensen me bijvoorbeeld vertellen wat ze vandaag van plan zijn – om over morgen maar te zwijgen – krijg ik niet, zoals men vaak denkt, een afwezige blik, maar een heel oplettende, omdat ik in verlegenheid verkeer, zo hulpeloos sta ik tegenover ‘vandaag’, want dit vandaag kan ik alleen in grootste angst en vliegende haast doorkomen, en erover schrijven, of alleen zeggen, in deze grootste angst, wat er gebeurt, want wat over vandaag geschreven wordt, zou je meteen moeten,  vernietigen, zoals je echte brieven verscheurt, verfrommelt, niet afmaakt, niet wegstuurt, omdat ze van vandaag zijn en in geen vandaag meer zullen aankomen.”

Tikje neurotisch, zou men zeggen, waarschijnlijk te wijten aan het feit dat de schrijfster alsmaar worstelt met de omineuze figuur Malina, die ze verderop begint te benoemen. Een figuur die een zwaar stempel drukt op het verhaal – of op haar zelf?- en die ze al schrijvend lijkt te willen neutraliseren. Zonder succes. Beklemmend is hier het sleutelwoord.

Onsamenhangend is nog zo’n sleutelwoord, en fragmentarisch, springerig eveneens. Humor ontbreekt trouwens ook niet, wat fijn wat luchtigheid geeft in zo’n dikbuikige geschiedenis. Als u tijd, zin en energie hebt voor een getormenteerd verhaal, beveel ik ‘Doodsoorzaken’ warm aan.

ISBN: 9789083323961

Sterren: ***

Uitgeverij: Koppernik

Ook verschenen op Bazarow 

Sebastiaan Chabot – Olifantenpaadjes

Go your own way

De familie Chabot is behoorlijk productief, getuige dit gloednieuwe boek van Sebastiaan Chabot. Het boek ziet er wonderschoon uit. Fel rood en op de voorkant een afbeelding van een erg levendig schilderij van Fernand Léger, genaamd “La grande parade sur fond rouge”.

Tot zover alles goed. Maar met het lezen verandert dat. Ik zeg het maar meteen: het verhaal valt niet mee. Dat ligt aan de stijl. De eerste pagina voelt meer als een lollig op kinderen gericht verhaal dan een diepgaand intellectueel essay:

Professor Raad had een binnenpretje aan de buitenkant.

Na zijn afscheid op vrijdagavond was hij op maandagochtend gewoon weer op kantoor verschenen, waardoor het bestuur van zijn advocatenkantoor zich genoodzaakt zag een nieuw afscheid aan te kondigen, ditmaal in de vorm van een receptie met sprekers om het definitieve karakter te benadrukken.

De eenenzeventigjarige professor, die er altijd al een beetje uitzag alsof hij de weg kwam vragen, had zich de rest van de werkweek wat stuurloos gevoeld. Toch kon hij nu een binnenpretje niet onderdrukken: nog nooit had iemand op kantoor een tweede afscheid gekregen.”

Een wonderlijke mix van ‘spelen met woorden’, droog aandoende humor en een zinnetje over een binnenpretje dat in een kinderboek had kunnen staan. Die stijl leest in het begin plezierig weg, maar na een paar hoofdstukken zou deze lezer toch meer solide uitingen zien. De kapstok van het verhaal beloofde voldoende: een gescheiden gezin gaat elke zomer naar Zuid-Frankrijk om net te doen alsof alles nog bij het oude is. Behalve de vader, professor Raad.

De Professor gaat zijn eigen gang, voor hem geen aanpassingen in zijn gedrag. De rest van het gezin speelt ‘gelukkig gezinnetje’. Zij houden zich aan de ongeschreven regels die voorschrijven dat er niks aan de hand is. De prof daarentegen doet zijn ding en geniet volop van de sfeer in Zuid Frankrijk, de uitstekend voorziene terrasjes en het prettige klimaat. Voor hem is het een echte vakantie, in tegenstelling tot hoe zijn familieleden dat ervaren.

Genoeg stof voor een strak verhaal, maar daarvan is hier dus geen sprake. In een slome kabbeling van kinderlijke, nogal woordspelige taal met te veel flauwe grapjes (sorry Sebastiaan) is het regelmatig geen plezier meer om door te lezen, maar eerder een tandenknarsende opgave. Hier spreekt bijvoorbeeld Karin:

“’Daar zitten we dan,’ zei Karin. ‘Aan hetzelfde tafeltje als altijd. En toch is alles anders. Ik vind het wel gek hoor, hoe alles maar doorraast. Ik bedoel, het is amper twee avonden geleden. Dat had ik na de dood van onze jongste ook. Hoewel ik het eigenlijk wel fijn vond, geloof ik, dat alles maar doorging…”

Verteltechnisch niet hemelhoog juichend, maar gelukkig helpt het tover- en kernwoord van deze historie: ‘Olifantenpaadjes’. Niet te verwarren met de in de politiek zo geliefde geitenpaadjes. De olifanten volgens van Dale: ‘Een olifantenpaadje is een niet-officieel pad om een route in te korten; figuurlijk: snelle oplossing bij een opgelegde beperking’

Ikzelf mag ook graag gebruikmaken van snelle oplossingen bij opgelegde beperkingen. Deze familieleden niet. Hier is men erop gebrand het aloude protocol van een happy family in stand te houden, dus houdt men die schijn op. En daar horen olifantenpaadjes niet bij.

ISBN: 97890825476175

Sterren: ***

Uitgeverij: AtlasContact

Ook verschenen op Bazarow en TikTok

Jaap Cohen – De bolle van Gogh

Altijd in de contramine

Een monsterlijk dik boek is het, de levensloop van Theo van Gogh, alleen al door die 686 bladzijden in een stevige hardcover. Biograaf Jaap Cohen werkte er bijna zeven jaar aan.

Zoals verwacht, is de inhoud net zo explosief als het onderwerp. We hebben het over Theo van Gogh, ‘enfant terrible’ pur sang. Hij stond erom bekend dat hij in zijn korte maar heftige leven onbekommerd gebruik maakte van zijn recht op vrije meningsuiting. Hij choqueerde, mepte verbaal om zich heen, treiterde en beledigde mensen tot op het bot. Vrienden maakte hij daar niet mee, vijanden des te meer. Het geeft een goed beeld van zijn karakter. En ook van een tijdsgewricht waarin normen en waarden werden opgerekt en soms ruimschoots werden overschreden.

Cohen begint bij het begin. Theo wordt geboren en groeit op in een welvarende omgeving: een villawijk in Wassenaar. Als Cohen start met zijn interviews, wonen Theo’s ouders er nog: Johan van Gogh en Anneke van Gogh-Vonhoff. Aanvankelijk twijfelt Cohen over de bereidheid van de ouders om hun – en Theo’s – “levensverhaal aan een wildvreemde te vertellen’, wat bij Anneke inderdaad zo lijkt te zijn. Vader Johan is opener naarmate Cohen vaker langskomt, en uiteindelijk werkt Anneke ook mee. Mooi om te lezen is dat Theo’s ouders langzaam ontdooien en er een goed beeld ontstaat van Theo’s jeugd en schooltijd.

Op de lagere school blinkt Theo niet echt uit, en op het voortgezet onderwijs eigeniljk ook niet. Niet briljant dus, maar hij kon goed meekomen – als hij daar zin in had. Ontbrak die zin, dan kwam de rebel in hem boven. Ook noteert Cohen een andere handicap: “Ik schaamde me als rijkeluisjongen.” Die ‘rijkeluisjongen’-achtergrond bleek later ook niet altijd een garantie om ergens binnen te komen. Toen hij bijvoorbeeld jaren later bij het weekblad Vrij Nederland solliciteerde, werd hij niet aangenomen.

Zo startte de zoektocht voor Theo naar wat hij zelf eigenlijk wilde. Hij probeerde het met schrijven, met wisselend succes. Toen kwam het maken van films in beeld. Cohen beschrijft de ontstaansgeschiedenis van ‘Luger’, die behoorljk succesvol was. Dat smaakte naar meer films, en hoewel Theo er een aantal maakte, viel zijn onbedwingbare neiging tot beledigen en choqueren niet in de smaak bij het grote publiek. De serie interviews die hij ook maakte, werd beter gewaardeerd.

Zijn focus op het jodendom en de kwetsende opmerkingen die hij in die tijd over de holocaust en de gaskamers debiteerde, joegen daarentegen weer een boel mensen in de gordijnen. Wat over Theo oprijst uit de hele geschiedenis van die tijd, is een merkwaardig mengsel van kwetsbaar talent en een ongecontroleerde onverschilligheid. Die eigenschappen hielpen hem heftige films te maken maar zorgden ook voor afschuw bij de bevolkings- en andere groepen die hij keihard shockeerde. Dat laatste werd hem zoals bekend, fataal. De 26-jarige moslim Mohammed Bouyeri schoot op 2 november 2004 Theo neer in de Linnaeusstraat, sneed vervolgens zijn keel door en liet een dreigbrief achter op zijn lichaam.

Cohen brengt meticuleus de levenswandel van ‘de bolle Gogh’ in beeld: een bron van feiten voor mensen die Theo niet kennen maar wel kennis willen nemen van zijn handel en wandel. En de bundel is natuurlijk een feest van herkenning voor de niet meer zo jongere jongeren die dit alles wel live meegemaakt hebben, maar niet meer alle details paraat hebben. De biografie is recht door zee: het laat de scherpe randen van Theo zien maar toont ook zijn betere kanten.

ISBN: 9789021423807

Sterren: ****

Uitgeverij: Querido

Voor het eerst verschenen op Bazarow en op TikTok

Ingvild H. Rishøi- Winterverhalen

Sneeuw, ellende en schrale troost

Dat Ingvild H. Rishøi kan schrijven is geen verrassing meer. Sinds ze de geweldige roman ‘Stargate’ uitbracht is haar naam verbonden met ijs, sneeuw, ellende en troost (onder haar handen meestal schrale troost), en Noorwegen. Ze kan een verhaal zo droog vertellen dat de lezer gebarsten lippen krijgt.

Dus begroeten wij met groot enthousiasme haar nieuwe ‘Winterverhalen’, die alleen met de titel al hint naar een huiveringwekkend verhaal. We worden niet teleurgesteld. Allereerst krijgen we maar liefst drie novellen in één band. Daarnaast is het boek zoals we van topuitgeverij Koppernik gewend zijn, keurig gebonden en in een stevige omslag toekomstbestendig geproduceerd. Niets dan goeds dus over de uitvoering, hoe is het met de inhoud?

Die is puik. Drie novellen, zoals gezegd, liggen voor ons om te betreden. Dat doen we niet zonder eerst ons hart in gewapend beton te storten en de gevoeligheid van onze zenuwen op de laagst mogelijke stand te zetten. Noodzakelijk, want de novellen zijn aangrijpend. Erg aangrijpend.

In “We kunnen niet iedereen helpen” volgen we een jonge moeder met dochter Alexa. Ze lopen naar het winkelcentrum:

“Er staat een gozer voor ons. Hij glimlacht, we zijn misschien even oud, hij is knap. Hij houdt een papieren bekertje in zijn hand.

‘Hebben jullie misschien wat kleingeld over?’ vraagt hij.

Zijn vingers zijn opgezet. Alexa knijpt in mijn hand. Ze vindt iedereen zielig, veel te zielig…

‘Mama,’ zegt ze, ‘Waarom?’

Waarom konden we hem geen kleingeld geven?’ vraagt ze.

Omdat kleingeld ook geld is. Omdat je vader al drie maanden geen alimentatie heeft betaald…

Zie je deze tatoeage? Dat is de naam van je vader, en als ik geld had, zou er nu een vogel zitten…”

ln het tweede verhaal hebben we een vergelijkbare situatie. De protagonist is boos, kan niet zo goed omgaan met mensen die slimmer ogen dan zij zelf is en heeft last van een opvliegend humeur. Geen goed setje eigenschappen om rustig in een winkel een kussen te kopen terwijl de verkoopster alleen – maar – irritante – vragen – stelt.

Het derde verhaal is qua winterverhalen het best passend. Het sneeuwt hard, het is berekoud, het is donker want avond, en er zijn drie kinderen on the run. Het oudste kind neemt de andere twee bij de hand en neemt ze mee naar een plek ‘waar het beter is’. Gaan ze met de bus, die eigenlijk te duur is? Of toch maar lopen, tot hun knieën in de sneeuw? En als e het onzalige idee van lopen doorzetten: gaat dat wel goed?

Pak dit boek, sluit je op in je huis, zet alle meldingen en piepjes gevende apparaten uit, een muziekje misschien op de achtergrond, en verdwijn in de brute wereld van deze auteur. Je komt er gebroken weer uit.

ISBN: 9789083323985

Sterren: ****

Uitgeverij: Koppernik

Ook verschenen op Bazarow en TikTok