Efua Traoré – Kinderen van het drijfzand

Red de kinderen en je redt de wereld

Trots en tegelijk arrogant trekt de gouden blingsticker rechtsboven op de titelpagina de aandacht: Internationale BESTseller. Dit soort mededelingen zegt niet altijd dat we hier een fantastisch boek in handen hebben. Wel dat er veel van verkocht zijn, wat kwalitatief dus niks betekent. Veel te vaak worden nonsensproducten aangeprezen met de blur: ‘Nu meer dan 100.000 verkocht!’ Een geërgerd iemand reageerde daar ooit op: ‘Eat more shit – ten million flies can’t be wrong!’

Maar lieve lezertjes, geheel onpartijdig en -bemiddeld kan ik jullie melden dat dit boek niet aangeprezen hoeft te worden. Het is van zichzelf al goed. Wat zeg ik? Het is een knettergoed boek.

O ja? Ja echt. Laten we beginnen met het verhaal. Dat zit aard- en nagelvast in elkaar, geen speld tussen te krijgen. Het meisje Simi wordt door haar moeder uit logeren gestuurd, bij haar oma. Die ze nog nooit gezien heeft. In het oerwoud. Zonder internet, elektriciteit en dus zonder mobiel bereik. In dat van alles en nog wat verlaten oerwoud beginnen de geheimzinnige gebeurtenissen, op een verboden pad dat leidt naar rood drijfzand. Als je daar inzakt, ben je echt verloren…

Spannend, absoluut. Maar dat is niet alles. Simi is niet voor niets bij oma terechtgekomen, want oma blijkt veel te weten van de geesten die tussen hemel en aarde wonen. Ze kent spreuken, ze maakt medicijnen om de dorpelingen beter te maken, ze weet wat gevaarlijk is en wat niet. En ze waarschuwt dat Simi niet naar het drijfzand moet gaan. Luistert Simi daarnaar? Hmm. Ze is nogal eigenwijs….

Efua Traoré houdt de spanning goed vast. We leven met Simi mee, als ze natuurlijk toch het oerwoud in gaat. En we komen te weten waarom dat eigenlijk zo gevaarlijk is. Ook laat Traoré zien dat er meer is tussen hemel en aarde dan wij mensen snappen kunnen. De wereld van de geesten is zo levend als het maar kan. In Nigeria (waar het verhaal speelt) zijn ze erg actief, en dat is nodig ook om sommige scheve dingen recht te zetten.

Behalve de nagelslopende spanning voelt de lezer ook een diepere laag, een laag die gaat over het evenwicht tussen dood en leven. Oude rituelen lijken hopeloos versleten, maar misschien zijn ze wel onmisbaar voor het leven dat wij mensen op aarde willen leiden.

Dat klinkt als zware onderwerpen. Maar nee: de echte kracht van het boek is dat het een onzichtbaar gordijn een stukje opzij trekt. Achter dat gordijn lijkt meer te bestaan dan jij en ik voor mogelijk houden, misschien. Als dat allemaal zwaar en onzinnig klinkt, ga dan zeker dit boek lezen. Het opent nieuwe werelden.

Veel plezier!

Sterren: ****

ISBN: 9789025883171

Uitgeverij: Leopold

Ook verschenen op De Leesclub van Alles en TikTok  

 

Dimitri Verhulst- Hebben en zijn

Afkicken van het leven

Zou jij nog een keer willen leven, als je bent overleden? De dode personages in dit nieuwe boek van Verhulst moeten flink hun best doen om dat te voorkomen. Als ze net gestorven zijn, moeten ze namelijk afkicken van hun huidige leven. Cold turkey. Lukt dat, dan vinden ze rust. Zo niet, dan begint de cirkel van het leven, exact hun leven, opnieuw.

Vanuit deze interessante invalshoek creëert Verhulst ‘Hebben en zijn’. Door de ogen van de dode Maladot krijgen we mee wat er gebeurt na zijn dood. We ontmoeten hem meteen aan het begin van het verhaal, als hij bijkomt in een kliniek.

De ‘Opzichter’ wijst hem een kamer toe, die hij deelt met drie anderen. Een kamer die ruikt naar walnoten en ammoniak, en voorzien is van een stapelbed. Maladot wil best het onderste bed nemen. De 1 miljoen prijsvraag-vraag wordt ook meteen aan ieder van zijn kamergenoten, en hemzelf, gesteld: ‘Hoe ben jij aan je einde gekomen?’

Bij zijn kamergenoten is dat makkelijk te zien. Emanuel zit onder de brandwonden: iets met terpentine en een barbecue. Didier werd gestoord tijdens de daad met een vrouw op een wasmachine. Zijn ene oog is met een 9mm Luger doorboord – de bedrogen echtgenoot was een wapenfreak. Maladot zelf ramde na het ontwijken van een hert een stevige boom – dat was zijn einde.

Hoe nu verder, vraagt Maladot zich af en de lezer ook. Daar komt niet echt een antwoord op. Verhulst leeft zich intussen uit op de arme drommels die in de Limbo-kliniek zijn beland. De eerste maaltijd bijvoorbeeld bestaat uit een bord levende wormen, gemengd met vleesvliegen en aaskevers.

“In het leven, Maladot, in het leven eet men de dood. Men slacht dieren en men rukt groenten uit hun levensgrond. Hier is het omgekeerd, en eten we het leven. Pure logica.”

Wonderlijk genoeg doet dit boek van Verhulst denken aan die van zijn landgenoot Herman Brusselmans. Ook bij die sombermans vinden we veel amorele figuranten, lichte tot zware spot, van sarcasme druipende zinnen en een weinig florissante kijk op het leven. Daarnaast schampt dit verhaal voor mij de vertelkunst van Marten Toonder. ‘De Opzichter’ heette bij hem ‘De Grote Onthaler’. Het hiernamaals was voor Ollie B. Bommel ook een op maat gemaakte hemel – maar dan vol van met overvloedig eten bedekte, doorbuigende tafels voorzien van exuberante taarten.

Intussen gaat, met grimmige humor doorspekt, de lijdensweg/kruisgang van Maladot verder. Maak je eigen keus, lijkt de boodschap te zijn, en zorg dat je een rijk en bevredigend leven leidt, zodat je leven hier stopt. Je leven opnieuw leven wordt dan ook niet direct aangemoedigd:

“Enkel nog ellende staat hem te wachten: nieuwe hartaanvallen, een kapotte klep, de eenzaamheid van de weduwnaar, gruwelijke verveling in een bejaardentehuis, infantilisering en verkleinwoorden …”

Hoe je dit ook leest,  het is een tot reflectie nodend verhaal dat leest als een trein. Verhulst voegt weer een wranggrappige loot aan zijn stam toe. 

Sterren: ***

ISBN: 9789025473143

Uitgeverij: AtlasContact

Ook verschenen op De Leesclub van Alles en TikTok  

 

Fran Ross – Oreo

Taaie heldin vecht voor vrouwvrijheid

Fran Ross schreef dit baanbrekende boek, dat helaas met onbegrip, of eigenlijk helemaal niet werd ontvangen. Oreo verscheen in 1974 in de VS maar bleef vrijwel onopgemerkt en zakte al even snel weg in vergetelheid. Vandaag de dag wordt het wel weer erkend als een moderne klassieker en verschijnt het in een aantal vertalingen. 

Een geval van het goede verhaal op het verkeerde moment? Daar lijkt het veel op. Ross was getalenteerd – ze schreef voor Playboy en voor de comedyshow van Richard Pryor. En dit boek. De hamvraag moet dan volgen: is het wat? Het antwoord: Ja, maar.

O, is het niet zo goed dan? Kalm, laten we niet te snel naar conclusies springen. Allereerst is het een ongebruikelijke wereld die Ross schept. In het kort: een Jiddisje moeder krijgt een hartaanval omdat haar witte zoon Samuel met de zwarte Helen gaat trouwen. De dochter die uit dat huwelijk ontspruit, Oreo (zwart van buiten, wit van binnen) gaat jaren later op zoek naar haar Joodse vader in New York. Een odyssee door Manhattan volgt, losjes gebaseerd op Theseus’ (de Griekse god die de Minotaurus versloeg) avonturen. Volgt u het nog?

Het verhaal zit goed in elkaar, maar is behoorlijk fragmentarisch. Oreo’s zoektocht speelt zich af in een 70er jaren setting, in Manhattan maar soms ook in de krochten van de hel, of de hemel, of gewoon met een enorm donkere zonnebril op in het duister tastend. De taal helpt ook niet erg, er is veel Jiddisch, gangsta, dialect, pop en Amerikaans-Frans – heel origineel maar helaas een mix die begrijpelijkheid noch leesbaarheid bevordert.

Zo belanden we in een matig toegankelijke wereld. Zoals die van Jimmie C.:

“Van Louise had hij (Jimmie-NV) de neiging geërfd om zelf woorden te verzinnen. Zodoende deze woordenwisseling tussen Louise en haar kleinzoon:

LOUISE: Denseerroom op je huppellepup? (Vert.: ‘Gecondenseerde melk op je hulleldepup?) Moet je nog een paar ieners op die viseitjes, snoepie? (ze wijst naar de uitjes op de rode kaviaar.)

JIMMIE C.: (kijkt zoetjes naar zijn bord): Ik heb nog nooit zoiets verrukkelijks gegeten. Het is alsof je in piepkleine oranje druivenschilletjes bijt, gevuld met levertraan. (Hij knipt met zijn vingers.) Ik weet het al! Deze fantástische dingetjes die hier in grootmoeders schaal voor zijn neus liggen zijn een soort (en hij zingt, in c-groot) piepkleine oranje geleiballetjes. (In letters uitgedrukt waarbij legato’s met streepjes en rusten met komma’s worden aangegeven, zou deze frase klinken als: G-CC, FGF, EDDCC.) Van nu af aan noem ik deze goede dingen praveltjes.”

Dus. Als lezer moet je geduld betrachten, soms geheel opnieuw aan een al gelezen bladzijde beginnen en je aanpassen aan Oreo’s wervelwindleven. Wat je voor die inspanning terugkrijgt is waardevol. Het boek is ook in 2022 actueel, zowel als aanklacht tegen (gender)ongelijkheid, als voorvechter van emancipatie.

Sterren: ***

ISBN: 9789059369825

Uitgeverij: Cossee

Ook verschenen op De Leesclub van Alles  

 

Tülin Erkan – Honingeter

Een ontheemde lelhoningeter

“Iedereen is in transit” is de laatste zin van de flaptekst, en dat is in een zeer compacte notendop ook de essentie van dit boek.

Daar zouden we het bij kunnen laten, maar zo’n korte recensie is iets te snel door de bocht. We hebben hier te maken met een queeste naar iemands roots. Ook wel een zoektocht naar iemands oorsprong genoemd. U had het liever nog iets specifieker, meer uitgebreid ook? Oké.

Op de luchthaven van Istanboel loopt Sibel te dwalen. Dat doet ze elke dag, op zoek naar… dat weet zelf niet zo heel goed. Ze probeert haar vlucht naar Brussel te halen, maar dat lukt nooit; het is alsof ze dwaalt om het dwalen en niet om haar vlucht te halen. Eigenlijk is ze verdwaald tussen twee culturen:

“Honingeters of Meliphagidae behoren tot de

familie van de zangvogels. Van de Australische

geschubde lelhoningeter leven naar schat-

ting nog maar zo’n driehonderd exemplaren.

Wetenschappers vermoeden dat de soort met

uitsterven bedreigd is omdat de vogels hun

eigen zang niet meer kennen.”

Net zoals dit motto voelt Sibel zich heen en weer geslingerd tussen wat ze van haar moederland en ouders heeft meegekregen en wat ze in haar huidige land ondervindt aan ervaringen en expertise. De gebruiken, gewoontes, rituelen, taal, omgangsvormen – noem het maar op – wijken af en dat wekt verwarrende emoties op.

Tülin Erkan doet haar best om in barokke vergelijkingen het gevoel van verscheurdheid neer te zetten maar gaat iets te uitbundig te werk. ‘Honingeter’ is een goed opgezet verhaal, met een duidelijke bedoeling, maar de taal is hier de spelbreker. Zoals een belangrijke schrijversles luidt: less is more. Een geëxalteerde toon levert niet per sé literatuur op. 

Zie dit willekeurige voorbeeld op blz. 50. Het gaat over snoepjes, de welbekende Turkish Delight:

“Het witte poeder ploft als wolkjes uit de doos, kleeft aan mijn vingers en besneeuwt mijn zwarte broek. Een perfect geënsceneerd winterlandschap. Als studieobjecten liggen de snoepjes tussen mijn handen, klaar om gedissecteerd te worden. De ene pistachenoot schijnt al feller door dan de andere. In sommige stukken liggen de noten zelfs zo diep verzonken dat het lijkt of ze er geen bevatten. Ik stel me voor hoe ik ze een voor een zal doorslikken. De ene als een taaie brok in kleine stukjes gebeten, een andere zal ik zonder te kauwen verzwelgen, nog een andere zal zoet en zacht door mijn slokdarm smelten. Het eerste stuk is altijd mierzoet en doet je automatisch naar een tweede grijpen. De gestolde textuur klampt zich vast aan mijn gehemelte…”

Sterren: **

ISBN: 9789463105781

Uitgeverij: Pelckmans

Ook verschenen op De Leesclub van Alles  

 

Cis Meijer – Het gruwelijke hotel

Leren lezen met cliffhangers

Een dik boek hebben we hier, verhoudingsgewijs. Zo dik dat het lezen ervan een stuk langer duurt dan een serie op AppleTV kijken. Als je (beter) moet leren lezen, zoals de missie van Zwijsen luidt, dan moet het een verdraaid bij-de-lurven-grijpend verhaal zijn. Alles om de korte attentiespanne te slim af te zijn.

Nou, beste aankomende adolescenten, dat is puik in orde. ‘Het gruwelijke hotel’ is één emotionele achtbaan van spanning, suspense en verdachte zaken die door onschuldige kinderen opgelost moeten worden.

Voor de goede orde: die aanmoediging, aansporing, animering, bemoediging, bevordering, inspirering, opporring, opzweping, prikkeling, stimulering is uitstekend. We juichen die nudging als leesbevorderaars sterk toe; bovendien is het in dit boek goed toegepast. De lezertjes krijgen steeds een nieuw mysterieus voorval, of een verdachte uitspraak, of een rare gedraging voor hun kiezen. Dat maakt nieuwsgierig en dus leest men door.

We bekijken hier deel drie over Team 3, een soort serie maar wel los leesbaar over de heldhaftige redders in nood, speurders zonder te stoppen en vrienden voor altijd Iza, Raf en Dunja, die hier met groep 8 op kamp gaan en daar een spannend spel gaan spelen dat ook nog mysterieus is.

Zoals gezegd; Cis Meijer houdt zeer kundig de lezer bij de les. Daar helpen dit soort passages met een hoog vraagtekengehalte goed bij:

“Juf Anima staart met grote ogen voor zich uit. Alsof ze niet snapt wat er aan de hand is. En ik snap het ook niet. Hoe kon ze nou vergeten de begeleider mee te vragen? Heeft het te maken met dat vreemde telefoongesprek dat we afluisterden? Is ze in de war? Heeft ze het moeilijk omdat ze ons verschrikkelijk vindt? Gaat ze echt weg? Waarom mocht niemand het weten?

Nu we toch een begeleider tekortkomen, krijg ik een idee. Snel loop ik naar mama toe, die met de andere ouders een rij vormt. Ik vraag haar of ze toch nog mee kan.”

Goede teksten dus, maar gum ook de goede illustraties van Caren Limpens niet uit. Lekker hip, een beetje raadselachtig waar dat in het verhaal nodig is. En omdat er best veel tekst is in deze 193 bladzijden, welkome rustpuntjes voor het oog.

Kortom: een prima ‘leesboek’ dat gulzige lezertjes met plezier zullen verslinden. Missie geslaagd.

Sterren: ***

ISBN: 9789048743759

Uitgeverij: Zwijsen

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Hermann Ungar – Knapen en moordenaars

Met de botte bijl de diepte in

Klinkt deze titel u ruw in de oren? Enigszins heftig, te recht voor zijn raap? Dat is ook de bedoeling. Deze Herman Ungar neemt geen blad voor de mond en schrijft fris van de lever de twee lange verhalen die dit boek vormen.

Ungar publiceerde ‘Knapen en moordenaars’ in 1920. Het is zijn debuut en trok meteen de aandacht door de ongepolijste taal, maar vooral door de thema’s die hij aansnijdt: menselijke tekortkomingen, angst en kwaadaardigheid. Hij was van Joodse afkomst, diende als soldaat in de Eerste Wereldoorlog en raakte daar ernstig gewond. Daarna werkte hij als advocaat en toneelregisseur en bij de ambassade in Berlijn. Op zesendertigjarige leeftijd overleed hij aan een verwaarloosde blindedarmontsteking.

Een leven gevuld met ervaringen prima geschikt om bijvoorbeeld op schrift te stellen. Dat doet hij dan ook in ‘Een man en een dienstmaagd’ en ‘Verhaal van een moord’. In het eerste verhaal wordt de hoofdpersoon op jonge leeftijd door zijn moeder achtergelaten, “zonder middelen van bestaan”. In zo’n situatie moest de stad voor hem zorgen en komt hij terecht in een kwijnhuis. Prachtige naam trouwens. Hij overleeft er op water en brood en moet op zijn 14e jaar het kwijnhuis verlaten, maar niet voordat hij een verzengende lust heeft opgebouwd voor de dienstmaagd Stasinka:

“Als een moe dier zat ze daar in de volheid van haar lome vlees, met doffe ogen en haar handen naast die van mij in de kom…

Toen laaide lust in me op. Jongensangst verdween, dier, drift, bloed schreeuwden in me. Ik was vrij. Ik was klaar om heer te zijn. Nog grepen mijn handen fracties van seconden naar mijn hoofd, toen reikten ze naar voren. Ik sprong op. Greep Stasinka;s volle, dikke deinende borsten.

Stasinka kwam zwijgend overeind. Ze pakte me vast en tilde me op als woog ik niets. Ze opende de deur. Ze gaf me met haar dikke vuist een stomp in mijn ribben en liet me over de drempel op de grond vallen. Toen deed ze kalm de deur achter zich dicht.”

Het tweede verhaal is beklemmender, gemener en heeft een stevige beginalinea:

“Ik weet niet of mijn afkeer van gebochelde mensen het gevolg was van mijn diepe afkeer van de gebochelde kapper in onze stad of dat, andersom, mijn elementaire afkeer van mismaakten door hem bekrachtigd werd. Ik heb de indruk dat ik van begin af aan een niet te overwinnen weerzin heb gevoeld tegen alles was door God werd getekend met bulten, zweren, melaatsheid, uitslag en soortgelijk euvel, ja, bovendien fundamentee tegen alles wat zwak en kwetsbaar is, zelfs tegen dieren voor zover die door de natuur gewoonweg niet begiftigd waren met moed en kracht.”

Hierin trekt Ungar alle registers open van verraad, gluiperigheid, misleiding, vernedering, wanhoop en nog wat onfrisse eigenschappen, om de teloorgang van een eens trotse militair te laten zien. Deze militair frequenteert zijn stamkroeg nadat hij uit de oorlog is gekomen en vertelt daar sterke verhalen. De waard doorziet hem en breekt langzaam maar zeker zijn zelfvertrouwen, zijn hele wezen, af. De militair raakt intussen aan de drank en als er dan een andere militair op het toneel komt, gaat het pas echt mis.

Dit kan je favoriete boek zijn, als je houdt van de donkere zijde van het menselijk bestaan en niet opziet tegen wat ellende, etterende zweren en wanhoop.

Sterren: ****

ISBN: 9789083174495

Uitgeverij: Koppernik

Ook verschenen op De Leesclub van Alles en Tiktok 

 

Chris Bradford – Zielenprofetie – Het kwaad sterft nooit …

Wie zijn lezers lief heeft, kastijdt ze

Beginnen in deel 2 van een serie is niet altijd een risicoloos idee. Je mist voorkennis, de schrijfstijl is onbekend, zelfs het thema en de plot zijn gevaarlijk omdat je niet weet of je ze leuk vindt. Maar hé, wij boekenbeukers doen alles voor een goede recensie, ook met gevaar voor eigen leven.

Dat is bij Chris Bradford niet zo ver naast de werkelijkheid. Voor een jeugdboek komen in dit ‘Zielenprofetie’ nogal wat heftige taferelen voor. Naast verraad, angst, droefheid en verminking is de opvallendste component geweld. Gewoon recht op en neer, rammen maar. Of steken maar, met een antiek jaden mes. Of … nou ja, dat moet je zelf maar gaan lezen.

Genna is de pineut hier, omdat ze de hoofdpersoon is. Haar ouders zijn in deel 1 vermoord, niet gewoon door een stel inbrekers maar door de Zielenjagers. Een luguber groepje ondoden dat uit het hiernamaals komt om zielen te jagen, en ze vervolgens te stelen. Dat overkwam haar ook bijna, maar ze ontsnapte nog net om in deel 2 te figureren. Niet zonder geestelijke schade: ze bezoekt een therapeut die haar probeert in te prenten dat het allemaal niet echt is. Het kan niet waar gebeurd kan zijn, en ze kan dus gewoon relaxen. Behalve dat ze de figuren met de dode zwarte ogen toch weer ziet, op straathoeken. Oeps.

Wat je goed merkt aan dit boek, is dat Bradford gewend is aan serieschrijven. Dit deel 2 is leesbaar zonder deel 1, omdat er genoeg wordt terugverwezen om de details te snappen. Maar toch is het een op zichzelf staand verhaal met een kop en een staart. Een kop die hoopvol begint: Genna pakt haar leven weer op na de traumatische ervaringen, alles is in orde, of wacht … Daar zijn de Zielenjagers. Gaat dat wel goed? Waarschijnlijk niet. Snel lezen….

Zo maakt Bradford van het grote achtergrondverhaal een soort serie. Op dezelfde manier als hij zijn Bodyguard- en De jonge Samoerai-series maakte. Dat doet hij uitstekend, ook op een dieper niveau: alle hoofdstukken hebben ook een spanningsboog met meestal een cliffhanger. En hij schuwt het geweld niet. De Zielenjagers hebben de beschikking over allerlei wapens waar ze fors mee tekeer gaan in hun drang het licht van de wereld te overschaduwen met Duisternis. The Lord of the Rings ontmoet commissaris Maigret, zoiets.

Een leuk detail: Bradford is een ‘method writer’. Hij bekwaamde zich in samoerai-zwaardvechten, karate en haalde de zwarte band in Zen Kyu Shin Taijutsu. Voor zijn Bodyguard-serie volgde hij een intensieve training ‘persoonlijke beveiliging’. Die ervaring zie je wel terug in de verhalen: de actiescenes zijn redelijk realistisch. Als je daarvan houdt en een loeispannend verhaal waardeert, zeg ik: lees je te pletter.

Sterren: ***

ISBN: 9789000381876 

Uitgeverij: van Goor

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Willa Cather – O Pioniers!

Old skool vertelkunst

Het Wilde Westen kennen we. Althans, we weten van de cowboys, de westerns, revolvergevechten begeleid door ijzingwekkende Ennio Morricone-muziek. Maar pioniers? Daarvoor moeten we bij Willa Cather zijn. Ze is de grande dame van de historische vertellingen.

O pioniers! verscheen in 1913 en was de lancering van haar schrijverscarrière. Ze woonde een tijdlang in Nebraska, waar de inspiratie op straat lag. Ze verhaalt over de eerste boeren die het oneindige Amerikaanse land ontgonnen, hun ontberingen, de droogte, mislukte oogsten, wilde dieren en over de benodigde ijzeren dwarskoppigheid om toch te slagen in dat onbarmhartige land.

Zo opent het verhaal: “Op een dag in januari, dertig jaar geleden (teruggerekend rond 1883-NV), zette het plaatsje Hanover, gevestigd op een winderig plateau in Nebraska, zich schrap om niet weg te waaien. Een mist van fijne sneeuwvlokjes kringelde en dwarrelde rondom het groepje lage, vaalbruine gebouwen, dicht tegen elkaar aan geschurkt op de grijze prairie onder een grijze hemel. De woonhuizenwaren lukraak neergezet op het stugge prairiegras … Ze maakten geen van alle een bestendige indruk, en de gierende wind blies er zowel onderdoor als overheen.”

Dat stukje alleen al zet de sfeer. De huizen waaien bijna weg; het is bitter koud want sneeuwvlokjes; lage, vaalbruine gebouwen op de grijze prairie onder en grijze hemel, stug oneetbaar prairiegras, fragiel – de gierende wind die ze aan alle kanten belaagt.

Cather gaat zo een bladzijde lang door en stapt dan over naar de mensen. “Op de stoep voor een van de winkels zat een Zweeds jongetje verdrietig te huilen”. Twee dingen over dat zinnetje: alweer die naargeestige sfeer, een jongetje op de stoep, huilend. En voor de taalpuristen een heus pleonasme (niet te verwarren met tautologie): een verdrietig huilend jongetje. Spijkers op laag water natuurlijk, maar toch even de vertaler vragen hoe dat zo komt.

Het zal ook niet verbazen dat de levens van de mensen in de roman niet al te welvarend verlopen. Ze worstelen elke dag met ongunstig gezinde elementen om aan de al even oncoöperatieve grond iets eetbaars te ontrukken. Dat geeft een natuurlijke selectie: alleen de doorbijters overleven hier.

De veranderende onderlinge verhoudingen bouwt de schrijfster op met uitstekend psychologisch inzicht. Spanningen over mislukte oogsten en dreigende droogtes uiten zich ‘s avonds in de kleine huisjes, als de pioniers moe gewerkt in hun zelf getimmerde stoelen hangen.

Een ander product van natuurlijke selectie laat zich ook na verloop van tijd gelden: de visionairs. De mannen/vrouwen die een toekomstvisie hebben anders dan tot je dood kromgebogen op een droog veld werken, komen boven drijven. Zij snappen hoe het systeem werkt, zien dat de grond zelf het kostbaarst is en kopen percelen op. Om ze later weer met grofschalige winst te verkopen.

Die ontwikkeling brengt het boek extra spanning – je wilt doorlezen. Dat lukt overigens prima, ondanks de hoge leeftijd van het boek. De vertaler is zo vriendelijk geweest een lijst met ‘noten’ achterin het boek op te nemen, ter verklaring van sommige termen en gebeurtenissen uit die tijd. Goed nieuws is ook achterin te vinden: Cather heeft in haar carrière twaalf boeken geschreven. Er is dus nog genoeg te genieten.

Sterren: ****

ISBN: 9789492168320

Uitgeverij: Karmijn

Ook verschenen op De Leesclub van Alles en Tiktok