Danilo Kis- Homo poëticus

Een leven voor de literatuur

In de in Nederland ongeëvenaarde privé-domein reeks kwam dit deel 310 op mijn pad. Het doet deugd dat dus al 309 van deze prachtbanden, gevuld met de kronkelige levens van schrijvers, schotschriftmakers, pamfletteurs en poëten, aan dit deel vooraf gingen. Alles uiteraard gewijd aan De Literatuur.

Danilo Kis (1935-1989) trok de aandacht binnen de literaire wereld met zijn eerste autobiografie “Tuin, as”. Er volgden nog twee autobiografische delen: “Kinderleed” en “Zandloper”, die zijn naam vestigden. Kis was geboren uit het huwelijk tussen een Montenegrijnse moeder en een Joods-Hongaarse vader, dus strikt genomen niet Joods maar zo voelde hij zich wel.

Samensteller Guido Snel legt in het voorwoord uit hoe hij op het spoor van deze fraaie bundel kwam: De jonge vertaalster Reina Dokter (1953-2021) had een voorliefde voor Joegoslavië, en ontwikkelde in de loop van haar leven een fascinatie voor Danilo Kis en zijn werk. Wij lezers moeten haar dankbaar zijn, want zij schreef voor een groot gedeelte de tekst (de vertaling van Kis’ werk) voor dit Privé-domein.

Behalve de literatuur die hij afleverde, is vooral het getormenteerde leven van Kis interessant. Begonnen als idealist, werd hij al snel bekend en beroemd om zijn gedreven verhalen. Maar Joegoslaaf én Joods, was de jaren waarin hij bekend werd niet de gelukkigste combinatie. Het nationaal socialisme kwam op, Hitler aan de macht, de druk op de Joden nam toe, enfin, het trieste verhaal is bekend. Al die gebeurtenissen maakten Kis in zijn geschriften feller en aanvallender, zeker toen ook zijn vader in Auschwitz werd vermoord.

Met zijn vader had hij overigens een ambivalente verhouding. In een later interview met Kis bevraagt men hem daarover. Opvallend is hoe ontwijkend hij daarin is. Interviewer: “In de scene met het geweervuur onder het raam, die u daarnet hebt beschreven, verschijnt niet de vader als beschermer, maar uw moeder schermt u af met haar lichaam. Maar meteen daarna begint u over de persoon van uw vader, hoewel hij daar kennelijk op het tweede plan staat.”

Antwoord Kis: “Dat is waarschijnlijk omdat ik, zoals u kunt zien, denk in beelden en tast in het schemerdonker… Vandaar komt dus mijn behoefte zijn gestalte erbij te denken, de leegte te overbruggen tussen twee van zijn verschijningen, om hem te ontdekken op een groepsfoto met familie, op de achtergrond.”

Voor de huidige lezer is de thematiek en het tijdsgewricht waarin Kis zich beweegt, niet direct actueel. Zijn verhalen gaan over de holocaust in Servië,  WO-2 en hoe het stalinisme een nieuwe betekenis gaf aan ‘misdadigheid’. Toch zien we parallellen genoeg in de wereld van nu. L’histoire se répète, nietwaar?

Er valt veel te citeren uit dit ‘Homo poëticus’, maar we zijn streng voor onszelf. Eén mooi citaat uit zijn polemieken, uit eind jaren 70 vorige eeuw:

“Mevrouw Simone de Beauvoir verklaart, nu ze aan het einde van haar leven voor de tv en voor de krant (in Le Nouvel Observateur) intellectueel de balans opmaakt, dat ze zichzelf niets heeft te verwijten. Zij heeft samen met Jean-Paul .. een exemplarisch leven geleid, en dus spreekt ze nu zelfgenoegzaam als een nieuw soort heilige, de heilige Simone: Jeanne d’Arc en de heilige Teresa in één en dezelfde persoon: … ze heeft het zaad van het feminisme gezaaid (De tweede sekse)… Haar geweten is volkomen zuiver… Ja inderdaad, ze had niet helemaal het juiste standpunt, geen helder inzicht in de Goelag… maar ze voelt zich natuurlijk helemaal niet schuldig… waarom zou je daar gewetenswroeging over hebben.”

Sterren: ****

ISBN: 9789029529099

Uitgeverij: Arbeiderspers 

Ook verschenen op Bazarow 

 

Erwin Mortier – De spiegelingen

Erotiek in beschadigde lichamen

Laaiende lust doorvlamt met grote regelmaat het lichaam van de hoofdpersoon in deze roman. Edgard Demont is de naam. Een soldaat die bepaald niet ongeschonden uit de Eerste Wereldoorlog terugkeert naar zijn vaderland. De seksuele drang is er nog wel, maar hij is door oorlogshandelingen zowel geestelijk als lichamelijk verminkt.

Liefde en dood, dat zijn de twee pijlers waarop Erwin Mortier deze roman bouwt. Zoals we van hem gewend zijn, gaat dat zorgvuldig, stapje voor stapje, met flux de bouche. Mortier gaat op zoek naar verheven, majestueuze woorden om de emoties te beschrijven die loskomen bij liefde en dood.

Want daar komt de geschiedenis van de arme Edgard grofweg op neer: hij heeft de oorlog dan wel overleefd en zijn geest en lichaam doen het nog, maar een deel van zijn lichaam functioneert niet meer. Te beschadigd.

Een geluk bij een ongeluk is dat die beschadigingen zich niet uitstrekken tot de erogene zones. Nu kan de lezer tamelijk expliciet de verliefde escapades van Edgard tot zich nemen. Dat beleeft hij met vrinden van mannelijke kunne, ontdekken we als er homo-erotische handelingen tussen de mannen gaan plaatsvinden.

Het is die liefde waar het verhaal op drijft, en natuurlijk als tegenhanger de haat die het wezen van oorlog is. In hoogstaande, statelijke taal legt de schrijver een beeldend tapijt neer van verwikkelingen, avontuurtjes, tragiek tussen de kompanen en ja, ook majestatisch opgaan in elkaar:

“Ik voelde de muur van de hal in mijn rug, en de druk op mijn longen door de heftigheid waarmee hij meer tegen me aan viel dan me tegen zich aan drukte, knopen losmaakte, mijn hemd opentrok – het gekletter van mijn wandelstok over de tegels.

Zijn ademstoten die mijn huid bestempelden.

Mijn vingers in zijn stugge, krullende haar en het gestrompel, mond op mond aan elkaar geklonken, over schoeisel, broekspijpen en onze eigen voeten, naar de talloze dolende zielen die naar de van gebedsstonden doortrokken woning van de Waleys waren gelokt, panisch de vleugels namen toen de kussens ons gewicht opvingen en de schok door de veren trok.”

Een regendruppel van kritiek nog op deze prachtig zachte zee van woorden. Juist die veelheid van woorden wordt op een bepaald moment overweldigend. De lezer geraakt moede van het wandelen door de rijke maestoso veelheid van woorden, die in een golfbeweging niet aan herhaling ontkomen. Hier weer een avontuurtje, met weer de beperking van het gehandicapte lichaam, daar de scheef tegen de herenliefde aankijkende buitenwereld, en altoos het peilloze verdriet van de verminking. Hoe abeel, statelijk en subliem ook beschreven, ook een plechtig verhaal moet zijn beperking kennen. Nochtans zijn de vier sterren welverdiend.

Sterren: ****

ISBN: 9789023477914

Uitgeverij: Bezige Bij

Ook verschenen op Bazarow  

 

Mireille Geus – Mijn dagen met Niets

Iets maken uit Niets

Er zijn boeken in de piek van de Coronatijd geschreven met overbekende thema’s als eenzaam-, uitzichtloos- en saaiheid. Het zijn boeken die terugkijken op de eerste, hard toeslaande Coronapiek en ze hebben een sombere toon. We zitten nu in augustus 2022 en Corona is er nog, maar in een sterk verdunde variant. Hoe zou een boek anno nu klinken? Waarschijnlijk vrolijker.

Dit jeugdboek sloeg ik open in een kringloopwinkel, en het bleek tijdens de eerste Corona-pandemie geschreven te zijn. Interessant. Want hoe vliegt een jeugdboekenschrijver dit vervelende thema aan? Is het somber? Klimt de hoofdpersoon tegen de muren op? Niks dan ellende?  

Nope. Schrijver Mireille Geus houdt het klein. Er is een epidemie en een lockdown, dus zitten moeder en dochter thuis. Tussen de vier muren van hun appartement krijgt dochter Elshontely les via de laptop, boodschappen doen kan alleen op de uren dat je naar buiten mag, er is geen live contact met mensen, alleen online of per telefoon, de tv is het enige venster op de wereld, verveling steekt de kop op. Kortom: het leven is beperkt tot staren uit het raam.

Dat is voor haar levendige dochter niet goed, vindt mama, dus ze maakt voor haar een hengel. Zo kan ze vissen vanaf het balkon. En verrassing: dochter heeft beet, ze vangt Niets.

Als later in het boek haar vader op bezoek komt, beschrijft Geus dat zo:

“Ik vertel dat we Niets mee naar binnen hebben genomen. Dat ze snort, dat ze een blauw balletje kan pakken, dat ze mooi is – nou ja, een beetje – dat ze in een doos woont, en brood eet en water drinkt, emmers vol. Ik vertel dat ze zes poten heeft, heel verschillende poezenpoten met witte sokjes, hondenpoten en vogelklauwen. ‘En ze heeft vleugels,’ zeg ik trots, ‘ze zijn heel groot en lijken op parelmoer, net als haar ogen.’”

Een originele plot, goed uitgewerkt, puike taal. En belangrijker: het is een sterk boek geschreven in de coronatijd. Zonder droefgeestige uitstraling. Gelukkig. Dan kun jij dit boek ook met veel plezier lezen.

Sterren: ***

ISBN: 9789047712787

Uitgeverij: Lemniscaat

Ook verschenen op Bazarow  en Tiktok

 

Eline Helmer – Een rus als ik

Rusland voor dummies

Eline Helmer wil graag docent worden op een Russische universiteit. Dat lijkt eenvoudig maar de praktijk is weerbarstiger. Het duurt dit hele boek voordat ze echt opgenomen wordt in de Russische samenleving, kan omgaan met de typische gedragingen van de bevolking en leert hoe ze zich in dat specifieke universitaire circuit dient te begeven.

Vermakelijk is het woord dat de inburgering van Eline samenvat. Of desillusionerend, als dat woord zou bestaan. Kortweg valt het assimileren nogal tegen; de Russische samenleving is zo fundamenteel anders dan de Nederlandse, dat er veel aanpassing nodig is. Zoals de man/vrouw verhouding bij een feestje van eerstejaars waarbij er gedanst wordt, en waarover Eline schrijft:

“Alles is te gemakkelijk voor mijn danspartner Sasja. In een wanhopig gebaar brengt hij zijn handen naar zijn hoofd… Na een paar eerste oefeningen stopt Sasja mij:

‘Kijk, jij denkt zelf na. Jij gaat vooruit als je naar voren wilt, en achteruit als je naar achteren valt. Dat is een probleem van Nederlandse vrouwen, ze denken te veel zelf na. In het leven is dat in principe goed, begrijp me niet verkeerd, maar hier tijdens het dansen niet. Je moet naar mij luisteren, snap je?”

In een dagboek-achtige vorm laat Eline haar vorderingen – en soms een terugval – zien. Dat heeft als voordeel dat het erg gedetailleerd is. We zitten de schrijfster en haar strubbelingen, vorderingen en avonturen op de huid zodat we welhaast kunnen spreken van een live verslag.

Een ander pluspunt is dat haar zoektocht ook heel persoonlijk is. Dat geeft het verhaal extra diepgang, bovendien leer je als lezer de voor Nederlanders soms curieuze gewoontes van de Russen kennen. Zoals blijkt bij een tochtje per openbaar vervoer:

“Vrijdagavond in een volle bus 22,…De deuren van de bus gaan schokkerig open. Een jongen met een gitaar en een meisje met een tamboerijn spelen ‘Wonderwall’ op de brede stoep van de Nevski Prospekt, vlak voor de brug over de Fontanka…

Volgende halte, Gostiny Dvor… Een volledige band speelt op het kruispunt een Russisch nummer over een engel, dat ik pas wanneer ze het refrein inzetten als een cover van Goden Earrings ‘Going to the run’ herken…

Bij de laatste halte … strompelt een smoezelige oude vrouw op versleten pantoffels met een volgeladen handkarretje de bus in. Ze ploft neer op een stoel bij het raam. De conductrice beent vastberaden op haar af…

‘Betalen alstublieft!’

‘Natuurlijk heb ik geen kaartje, wat dacht je nou,’ bijt de vrouw terug.

Na wat heen- en weergekibbel begint de conductrice, wijzend op de stoel met daarop de oude vrouw demonstatief door de bus te roepen:

‘Deze plaats is vrij hoor, hier kan je gewoon zitten!’”

Helmer schreef een grappig boek over haar avonturen, goed voor een paar uur onderdompeling in een andere cultuur. Al heeft die cultuur door de 2022-oorlog wel een iets andere lading gekregen, en zal die oorlog waarschijnlijk debet zijn aan de uitgave van het boek. Dat neemt niet weg dat, op zijn merites beoordeeld, het verhaal uitstekend in staat is om op eigen benen de lezers te boeien.

Sterren: ***

ISBN: 9789044644685

Uitgeverij: Prometheus

Ook verschenen op De Leesclub van Alles