August Willemsen – De val

Wanneer het (l)even misgaat

De moeilijk te evenaren reeks Privé Domein van de Arbeiderspers is een  instituut. Met dank aan de heerlijke grafische ontwerpen van Kees Kelfkens was het de omslag van ‘August Willemsen – De val’ die ergens eind vorige eeuw indruk op deze recensent maakte. Zo diep, dat de wens om dit boek te lezen zich in zijn brein nestelde en elke keer als hij het boek zag (veel, want werkzaam in een boekhandel) zich opnieuw voornam het boek nu echt, maar echt, te gaan lezen.

Het kwam er niet van. Tot 2020, godbetert in een kringloopwinkel met een nu-of-nooit-meer actie. Voor een luttele 10 euro verwisselde ‘De val’ van gelukkige eigenaar, die het boek met de prachtige omslag bebladerde en van kaft tot kaft spelde. En, beviel het? Eh, een beetje tegen. Echt? Ja sorry, een deceptie was het ook weer niet, maar de grote verwachtingen zijn helaas niet ingelost.

August Willemsen is vertaler en schrijver. Hij maakte meesterwerken van de Portugese en Braziliaanse literatuur door ze te vertalen in het Nederlands toegankelijk en schreef later zijn ‘Braziliaanse brieven’, een doorsnee van zijn reizen en avonturen in dat land. ‘De val’ heeft een iets andere invalshoek: zijn alcoholverslaving.

Meer specifiek verhaalt het boek over de malicieuze dag in 1991 dat hij wankelt en valt, met vier flessen wodka in zijn tas, onderweg naar zijn huis in de Bijlmermeer, en niet meer overeind komt. De doctoren stellen vast dat hij zijn heup heeft gebroken en moet herstellen. Hijzelf beseft het onderliggende nieuws: dat hij een enorme alcoholverslaving heeft en nu gedwongen af moet kicken. Literair denker als hij is maakt hij van dat gedwongen verblijf een verslag in verfijnd getoonzette brieven, die kond doen van zijn hoogstpersoonlijke seizoen in de hel.

Nadat Willemsen is opgelapt in het AMC, mag hij herstellen in ‘een oord in het Gooi’. Zelf noemt hij dat ‘Huize J.’, een plek waar meerdere van alcoholverslaving afkickende patiënten zijn ondergebracht. Voor Willemsen is het verblijf met andere mensen geen feestje. Hij is gewend aan en gesteld op zijn privacy. Helaas voor hem moet hij nog een poosje in ‘Huize J.’ verblijven en dus komen in zijn brieven de heftige ergernissen aan zijn medehuisgenoten prominent aan bod:

“Ik heb mijn hele leven te maken gehad, in fabrieken en winkels waar ik heb gewerkt, in het ziekenhuis en andere plaatsen, met wat men ‘het volk’ of ‘de gewone man’ noemt. Ik ben er alleen, zoals ik in de aanhef al suggereerde, ongeduldiger voor geworden. Domheid, traagheid van geest, onhandigheid, gebeuzel, werken op mijn zenuwen. Wanneer die het begeven word ik waarschijnlijk nóg intoleranter.”

Tussen het verslag van zijn opname door gaat hij terug in de tijd, voegt hij oudere verhalen, stukjes dagboek, samen met een periode waarin hij nog gewoon woonde en werkte, en min of meer gelukkig was. Of niet helemaal: hij had in zijn appartement veel last van verbouwende buren. Geboor, gehamer, de teringherrie houdt niet op – de buurman of –vrouw is weer bezig. In dat opzicht is er weinig veranderd met de tegenwoordige tijd waarin mensen die in jouw rijtje wonen, het opeens best wel een goed idee vinden om op tijden dat je zelf wel rustig een boekje zou willen lezen, hun hele parketvloer er urenlang met een lawaaiige Kango uit staan te drillen. Dat loopt parallel met de opmerkingen uit het dagboek van Willemsen:

Dinsdag 7 mei

‘Vier uur in de nacht. Komt er nu nooit een eind aan? Pas om 9 uur gaat de slijter open. Op dit moment kan ik niemand bellen. Ik ben op een zachtaardige manier aan het gek worden…’

Een paar dagen later:

“Half acht in de ochtend en er wordt alweer gehamerd en geboord dat het een aard heeft. Vinden die mensen het soms niet lekker in bed? Waarom moeten ze bezig zijn? Ik heb, als indertijd de graaf van Lautréamont , massieve akkoorden op de piano gehamerd, maar het enige dat helpt is zuipen.”

Wat ons terug brengt bij Willemsen’s realiteit: hij is overduidelijk niet gelukkig in zijn appartement en ook zijn leven in het algemeen valt hem tegen. Zijn drankprobleem wordt erger. Hij drinkt al snel een paar flessen wodka per dag om die dag door te komen, wat zijn literaire productiviteit niet ten goede komt. Zo bezien is het maar goed dat hij ten val komt en noodgedwongen moet afkicken, ook al moet hij dat doen tussen allerlei mensen die hem irriteren. Dat proces geeft hem de munitie om een vlammend boek te schrijven, een aanklacht tegen een onaangename wereld, een schop onder de kont van het leven zelf, en wij lezers hebben de mazzel dat we van dit huiveringwekkende proza kennis kunnen nemen. Eindelijk.

Sterren: ****

ISBN: 9789029557443

Uitgeverij: Arbeiderspers 

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *