Michail Boelgakov – De witte garde

Michail Boelgakov – De witte garde
Een smerige oorlog
De plaatsnaam Kyiv kennen we maar al te goed sinds de slepende oorlog van Rusland tegen Oekraïne. Maar oorlogen zijn in Oekraïne niet ongewoon: “Groots en verschrikkelijk was het, het jaar onzes Heren 1918, het tweede sinds de revolutie” luidt de openingszin van deze geschiedenis.
Boelgakov verhaalt in deze roman over een bloedige periode in Kyiv, vol vluchtelingen en Duitsers die een marionettenregime hebben ingesteld. Het regime van de Russische tsaar is zo goed als gevallen, de nationalist Petljoera staat voor de poort en vanuit het oosten rukken de bolsjewieken op. De heel gewone familie Toerbin moet onmogelijke keuzes maken.
Het is een beest van een boek. Rauw, ongefilterd geweld tussen verschillende groeperingen die zelf niet eens precies weten met wie of waarom ze vechten. De soldaten worden aangevoerd door halfdronken sergeants of heel dronken generaals, die vertwijfeld tegen een willekeurig andere vijandige eenheid van leer trekken. Er zijn veel kapers op de kust: Rusland natuurlijk, maar ook nationalisten en bolsjewieken, die allemaal hun stukje van de taart willen.
Het lijkt op de situatie in Oekraïne anno 2026, maar dan chaotischer. De warboel van een oorlog weet Boelgakov perfect in tekst te vangen. Het voegt voor de lezer anno 2026 meer authentiek begrip toe over hoe smerig een oorlog kan zijn, en hoe die genadeloze strijd veel meer kwaad doet dan goed. En hoe chaotisch dat tafereel is.
Ook het hogere kader van het leger in oorlogsomstandigheden wordt vilein geportretteerd:
“Kolonel Kozyr-Lesjko werd op vijftien werst van de Stad precies met de dageraad wakker, toen een miezerig, dampend lichtstraaltje door het gore raampje van een boerenhut in het dorpje Popeljoecha drong. Het ontwaken van kolonol Kozy viel samen met het woord: ‘Troepenverplaatsing.’ Eerst meende hij het in zijn zeer warme droom gezien te hebben en wilde hij het zelfs met en hand wegschuiven, alsof het iets kouds was. Maar het zwol op, sloop de hut binnen tezamen met de weerzinwekkende rode pukkels in het gezicht van zijn ordonnans en een verkreukelde envelop. Uit zijn tas haalde Kozyr onder het raam een kaart tevoorschijn, zocht het dorp Borchoeny en daarachter Bely Haj op, trok zijn nagel langs de wegenvertakking, aan weerszijden als met vliegen bezaaid met gestippeld struikgewas, en kwam vervolgens uit bij een enorme zwarte vlek: de Stad. De hut stonk naar de shag van de bezitter van de rode pukkels – die veronderstelde dat er ook in Kozyrs aanwezigheid gerookt mocht worden en dat de oorlog daar geenszins onder zou lijden – en naar de zware tweederangs tabak die Kozyr zelf rookte…”
Boelgakov hield veel van Kyiv; hij was er geboren en woonde in één van de mooiste buurten van de oudste stad in Oekraïne en de hele Slavische wereld. Intussen had de Russische schrijver wel een lage dunk van de Oekraïners om hem heen. Hun ‘afgrijselijke brabbeltaal’ mocht ‘helemaal niet bestaan’. Maar hij schreef er toch dit zinderende boek over.
ISBN: 9789028253193
Uitgeverij: van Oorschot
Ook verschenen op Boekenkrant


Plaats een Reactie
Meepraten?Draag gerust bij!