Recensies van actuele boeken

Peter du Gardijn – Nachtzwemmen

Holden Caulfield 35 jaar later

Coming of age-romans zijn niet bepaald een uitzondering in de literatuur. Veel schrijvers doen niets liever dan hun moeizame weg naar volwassenheid beschrijven. Je moet dus wel iets te melden hebben óf lijden aan tragische zelfoverschatting om met een roman over die thematiek te debuteren. Godzijdank kunnen we Peter du Gardijn met zijn debuut Nachtzwemmen in de eerste categorie plaatsen.

De grenzen van zo’n roman zijn wel weer beperkt. Wie oermodel Holden Caulfield uit The Catcher in the Rye gevolgd heeft, weet dat deze hoofdpersoon onderweg is naar volwassenheid. Daarbij observeert hij zwartgallig de omgeving, zet zich af tegen truttige ouders/het establishment en begaat de ene na de andere blunder, bij voorkeur tijdens zweethanderige contacten met het andere geslacht in tot mislukken gedoemde afspraakjes. Dat is in een notendop de thematiek en ook Nachtzwemmen ontkomt daar niet aan.

Antonie Rauchfaser is het lijdend voorwerp. Het is 1983, hij is 17 jaar oud en gezegend met zwart gevoel voor humor. Hoewel, gezegend? In de loop van het boek blijkt zijn consequente praten in voorgebakken taal mensen van hem af te stoten terwijl hij eigenlijk juist nogal gevoelig is, maar dan hebben al twee vriendinnen afgehaakt. Antonie maakt deel uit van een vroegrijpe vriendenclub die al discussiërend door het leven gaat. Geen onderwerp wordt geschuwd. Christendom, Bejaardensex, Nietzsche, Zielige Ouders en Spinoza komen voorbij: ze hebben een brede theoretische kennis in huis. Niet dat dat helpt om de keuzes in het leven te kunnen maken.

Voor Antonie komt daar nog bij dat hij zijn vaders dood slecht kan verwerken. De nieuwe man – Karel – die zijn moeder langzaam maar zeker het huis binnenloodst, helpt ook niet zo. Verder worstelt hij met zijn gevoelens voor Ilse. Terwijl Johanna hem wel ziet zitten en doortastend genoeg is om dat in daden om te zetten. Antonie laveert tussen al die gebeurtenissen door tot de datum komt waarop zijn vader 1 jaar dood is. Met zijn moeder, oma, Karel en zeikerig broertje Felix gaan ze dat herdenken op het kerkhof. Die herdenking verloopt niet vlekkeloos. Niks dan ellende dus, en zo hoort het.

Peter du Gardijn schrijft het allemaal prachtig op naar bekend voorbeeld. J.D. Salinger ontmoet Arnon Grunberg, zouden de Amerikanen zeggen. Ik zou er nog een echo van Reve aan toe willen voegen. Complimenteus bedoeld overigens, want Du Gardijn heeft een originele stijl. De clichétaal die Antonie uitkraamt is briljant. Als Ilse met hem gedanst heeft en zegt dat ze alleen maar met hém wilde dansen, antwoordt hij: ‘Goed dat ik het weet. Dan kunnen daar maatregelen uit voortvloeien.’

De beschrijvingen zijn hilarisch. Zijn vriend Boudewijn wil Antonie met de wereld verbinden. Antonie denkt daarover: ‘Het was een campagne. Hij (Boudewijn) was daarbij een puppy, niet te temmen en met een onbegrensde likbehoefte: hij wilde wel meer mensen met de wereld verbinden.’ Of een scène in de keuken van het ouderlijk huis: ‘Hij besmeerde de geblakerde boterhammen. Mooie kankerverwekkende randjes en over een halfuur examen Duits. De wereld was een feest.’

Op een gegeven moment gaat de vriendenkring nachtzwemmen. Op Terschelling gebeurt dat en uiteraard op zeker moment naakt. Jammer genoeg voor Antonie krijgt hij geen contact met zijn droommeisje Ilse, zij slaapt zelfs in de tent van concurrent Boudewijn. De chagrijnigheid die hem hierdoor overmant, houdt ook Johanna uit zijn buurt zodat de hele trip ontluisterend eindigt.

Er is meer met water en zwemmen. De goudvissen in het aquarium zwemmen zich een ongeluk, een eerste belangrijke ontmoeting hebben de jongens van de vriendenkring op de bodem van het (lege) zwembad, in de vijver van een duur huis wordt in golven gekotst, de vrienden zwemmen ’s nachts in de zee. Antonie is de God van de goudvissen als hij de aquariumpomp in de hoogste versnelling zet. Op hun beurt zijn de mensen in het boek speelballen van God als ze in het zeewater door golven overspoeld worden.

Duikplanken komen ook erg vaak terug in het verhaal. Boudewijn staat levensgevaarlijk op een duikplank boven het lege zwembad; zijn doel is zelfs ooit in zijn kamer thuis een duikplank te hebben. Als Antonie samen met Ilse in het zwembad is, is de overhangende duikplank erg aanwezig. De duikplank fungeert hier als springplank en sluit tegelijk erg mooi aan bij het zwemmen/water-thema.

Zo zit het verhaal vol verwijzingen. En strakke formuleringen, bijvoorbeeld als Antonie de nieuwe vriend van z’n moeder ziet: ‘… op zijn achterhoofd zat een slijtplek…’ Spanning opwekken kan de schrijver ook. In de scène waar Antonie pianoles krijgt van Maaike wordt de stiekeme maar nergens uitgesproken begeerte van Antonie fysiek voelbaar. Du Gardijn levert een prestatie door een nieuw geluid te brengen in dit genre. De inmiddels volwassen geworden Holden Caulfield zou nog wat van hem op kunnen steken.

ISBN: 9789023418795

Sterren: ****

Uitgeverij: de Bezige Bij

Voor het eerst gepubliceerd op Bazarow.  

Hans Hogenkamp – Excuses voor het ongemak

Een paar happen smakelijke lucht

Ha, een roman over de moderne samenleving. ‘Met kleurrijke personages die allen op hun eigen manier verliezers zijn.’ Klinkt goed. Sinds de nieuwste van Arnon Grunberg zijn al meer boeken uitgekomen die kleurrijke verliezers beloofden, erg smakelijk leken, maar niet meer dan gebakken lucht bleken te zijn. Kijken of de debuutroman van Hans Hogenkamp, Excuses voor het ongemak, de verwachting wel waar maakt. Het verhaal begint intrigerend als Edo van zijn Sri Lankaanse schoonmaker Bayya de vraag krijgt of hij diens zus onderdak wil verlenen. Na halfslachtig tegensputteren stemt hij toe en tekent met een slecht gevoel een huurcontract. Twee flessen wijn later ziet hij de positieve kant. Er komt tenslotte een vrouw in zijn lege leven. Dat is zo, maar Chandrani is geen aanwinst. Als ze arriveert, blijkt ze schuw en lelijk te zijn. Vooral haar ene blinde oog is weerzinwekkend.

Het is gedaan met de rust in Edo’s huis. Het bier in zijn koelkast maakt plaats voor haar plastic bakjes met eten. Ze sluipt ’s nachts naar het toilet. Vreemde geluiden komen uit haar kamer. En ze kijkt overdag naar zijn tv. Dat kan Edo controleren want hij werkt als kijkcijferanalist. Op zijn televisie staat een kastje dat het kijkgedrag registreert en op zijn werkcomputer kan hij zien wanneer Chandrani kijkt. In het geniep dus, als hij op zijn werk is, terwijl ze het alleen maar had hoeven vragen. Hij is geen baas meer in eigen huis. Dat versterkt zijn drankzucht en stemt hem droevig. De ontwikkelingen nemen al snel bizarre vormen aan en komen tot een bruut einde op Koninginnedag.

Na een aantal hoofdstukken in Excuses voor het ongemak krijg je als lezer een onbevredigd gevoel. Waar gaat dit heen? Wil de schrijver ons misschien nog iets meedelen? Op zoek naar iets ‘diepers’ zouden we het verhaal kunnen lezen als parabel waarin het huisvesten van Chandrani en Bayya staat voor de instroom van allochtonen in de Westerse wereld met alle moeilijkheden van dien. Al krijgen de allochtonen dan wel een erg onaangenaam stempel. Heel erg overtuigend is die optie niet.

Dan blijft het mislukte leven van Edo over. Daarin wordt veel gezopen en nog meer zinloos geouwehoerd. Mensen zijn niet te vertrouwen. Absurde scènes zijn er ook genoeg, leuk geschreven ook, hoewel de schrijver ze soms net zo makkelijk zelf weer om zeep helpt, omdat hij het er te dik op legt (veel, heel veel ‘tussen aanhalingstekens’). Steeds denk je: ‘Dit gaat de goede kant op, zo meteen word ik aan mijn stoel genageld door een diep inzicht’, maar dat gebeurt niet. Uiteindelijk blijf je met een leeg gevoel achter.

Dat lege gevoel ontstaat niet in de laatste plaats omdat Edo’s scherpe observaties contrasteren met zijn mislukte leven. Het is alsof de schrijver een ‘loser’ wilde neerzetten, maar die de verkeerde emotionele inhoud heeft meegegeven. Als ze samen op kraamvisite gaan bij Baas: ‘In het huis spatte de liefdeloosheid van de witgesausde muren. Zijn vrouw, nog geen veertig maar met een gezicht vol ouderdomsvlekken, serveerde droge Japanse zoutjes in ecru Wedgwood-schaaltjes.’ Of het verveelde bladeren van Edo op kantoor: ‘De agenda bleek terug te gaan tot het begin van de jaartelling. Eén januari van het jaar 1 was een maandag, hoe kon het ook anders.’ Een scène die zo in Debiteuren/Crediteuren kan.

Twee minpunten teisteren Edo’s avonturen. De antiheld is te slim en het verhaal blijft oppervlakkig. Het geheel is onbevredigend. Helaas, we kunnen de schrijver dus niet scharen in de rij van zijn Nederlandse literaire schrijversvoorbeelden. Hogenkamp schrijft best goed, maar hij mist bijvoorbeeld de onbekommerd hulpeloze toon die Heeresma meegaf aan Han de Wit. En de verwoestende humor van Reve’s Frits van Egters. En de superieure stijl die Grunberg gebruikte voor Ewald Stanislas Krieg. We hadden het graag anders gezien, vooral omdat de flaptekst zulke hoge verwachtingen wekt. Als je vergeet om die in te lossen krijg je ongelukkige lezers._ Excuses voor het ongemak_ is geen gebakken lucht. Het is meer een suikerspin. Als je het dichtslaat heb je een paar happen smakelijke lucht gehad. Maar je honger is niet gestild.

ISBN: 9789038831190

Sterren: **

Uitgeverij: Nijgh & van Ditmar

Voor het eerst gepubliceerd op Bazarow.  

Frank Martinus Arion – De Deserteurs

Geschiedenisles van de verkeerde leraar

Frank Martinus Arion neemt in De Deserteurs misschien wel de belangrijkste episode uit de Amerikaanse geschiedenis onder de loep: De Onafhankelijkheidsoorlog. Hij doet dat volgens beproefd recept. Neem het tijdvak geschiedenis dat je wilt behandelen, plaats je hoofdpersonen erin en ze beleven vanzelf spetterende avonturen. Dé manier voor de uitgekiende schrijver om met een goed verhaal een stuk geschiedenis bij je lezers naar binnen te lepelen.

We schrijven Philadelphia, omstreeks 1775. Een liberale stad die aantrekkingskracht uitoefent op verlichte geesten in de hele wereld. Het is niet vreemd dat op deze plek de in Amerika nog altijd heersende slavernij openlijk veroordeeld wordt. Het rommelt al een tijdje in de zuidelijke staten van Amerika. De Engelse plantages daar draaien op slaven. Engeland houdt dat graag in stand, maar vanuit Amerika komt steeds luider de roep om afschaffing van het barbaarse slavensysteem, en daarmee eigenlijk de afschaffing van de Engelse heerschappij. Engeland reageert daarop met strenge sancties, en zoals dat gaat, na elkaar opvolgende incidenten breekt de vrijheidstrijd uit. Amerika verklaart Engeland de oorlog.

In dit decor, op gedetailleerder niveau weergegeven in het huis van de familie Blincker, komen vier vrienden regelmatig samen. De Blinkckers zijn Quakers, intelligente en liberale mensen. Ze bestrijden misstanden in de maatschappij indachtig het motto dat de pen machtiger is dan het zwaard. De vrienden discussiëren, roeien samen en (drie van hen) studeren aan de Universiteit van Princeton, tot ze op een avond geronseld worden. Ongewild worden ze betrokken in de oorlog tussen kolonisator Engeland en opstandig Amerika. Hun vaak bediscussieerde stelling dat iedereen gelijk is, botst opeens op ruwe wijze met de werkelijkheid. Ze zitten gevangen op een schip. Dat uitvaart om de Engelsen te bevechten.

Arion neemt de tijd om alles te vertellen. Misschien iets te langzaam komt het verhaal op gang. De taal is kabbelend, niet echt passend bij een opwindende periode uit de wereldgeschiedenis. Soms met net de verkeerde uitdrukking, zoals ‘Hij had een onuitstaanbare behoefte om te paren…’, waar dat zou moeten zijn ‘Hij had een onweerstaanbare behoefte om te paren…’. Vaak afstandelijk: ‘John stond niet meer onverdeeld achter de revolutionaire verzetsgroepen in de kolonies.’ Het zijn avonturen die je leest in jongensboeken maar dan zonder de spanning.

Ook liefdesscènes ontbreken niet. Maar prikkelend? De ontmaagding van John Trotman, een van de vrienden: ‘Melissa gaf de meisjes aanwijzingen hoe ze met de jongeheer van de jongeheer om moesten gaan om hem zo gek mogelijk te maken.’ Later, de vrienden zijn dan in een nachtclub met schootdansende meiden vlak voordat ze geronseld worden: ‘Als op een teken begonnen ze daarna tegelijk met hun achterwerk over het kruis van de jongens te wervelen.’

In filosofisch opzicht is het boek wat opwindender. Wat is vrijheid bijvoorbeeld? Engeland wil de plantages in stand houden, inclusief slaven. Humanisten vinden dat slavernij afgeschaft moet worden, maar soms conflicteert dat toch met hun eigen belangen. Voormalig slaaf Mohammed legt uit dat als slavernij verboden wordt in Afrika, er meer gemoord zou worden. ‘Door de slavernij kun je aan een ander die je minacht omdat hij anders is …, toch geld verdienen. Door aan een ander te verdienen, eet je hem als het ware op zonder hem te doden.’ Intrigerende visie.

In de passages daarna wordt slavernij besproken vanuit de visie van de Koran, de Bijbel, Aristoteles en Djenghis Kahn. Arion geeft goed weer hoe soepel het begrip ‘vrijheid’ door voor- en tegenstanders voor eigen doel wordt misbruikt. Dat blijkt ook uit de titel. Als de vier vrienden eindelijk van het schip ontsnappen waar ze geronseld waren, worden ze door de wet beschouwd als deserteurs. Op die manier legaliseert de wet het ronselen zodat deserteurs bestraft kunnen worden. Voor het gemak vergeet de wet dat de deserteurs wel eerst van hun vrijheid beroofd werden.

Vrijheid is, kortom, een mooi goed. Alleen jammer dat er zo vaak strijd om geleverd moet worden. En dat daarbij de vrijheid van anderen weer vertrapt wordt.

Dit thema is door het hele verhaal heen geweven. Soms vernuftig, maar vaker een beetje onhandig. Het leven tijdens de Amerikaanse Onafhankelijkheidsstrijd is geweldig materiaal voor een boeiend verhaal. Als dat dan geen pageturner wordt waar je nog wat van opsteekt ook, heb je als schrijver een kans laten liggen. De Deserteurs is zeker een interessant boek. Toch had het interessanter kunnen zijn. Er blijft net niet genoeg bij de lezer hangen. Het is alsof je geschiedenisles hebt gekregen van de verkeerde leraar.

ISBN: 9789023414940

Sterren: **

Uitgeverij: de Bezige Bij

Voor het eerst gepubliceerd op Bazarow.  

Anton Valens – Meester in de hygiëne

 

Nieuwe inspiratie voor Jeroen Bosch?

Meester in de hygiëne is de debuutroman van Anton Valens (1964). De schrijver volgde de opleiding schilderen aan de Rietveld Academie en aan de Rijksacadamie. Het boek is genomineerd voor de Debutantenprijs.

Het boek bevat negen verhalen in een droge stijl met Gerard Reve-trekjes. We lezen over hoofdpersoon Bonne, die in Amsterdam woont en bij de thuiszorg werkt. Hij wordt uitgezonden om de huizen van ouderen schoon te maken, boodschappen te doen en hun ‘ongelukjes’ op te ruimen, maar daarmee stopt zijn werk nog niet. Alle oudjes hebben zo hun problemen. En helaas voor Bonne is hij te zachtaardig om weerstand te bieden aan de soms bizarre grillen van zijn bejaarden, waardoor hij regelmatig in de moeilijkheden komt. Soms omdat er letterlijk stront aan de knikker is. Tussen de bedrijven door krijgen we achtergrondinformatie over Bonne zelf. Zo mag hij graag ‘een mopje schilderen’, volgt hij de Kunstacademie en heeft hij een vriendin, Jeanet.

In het eerste verhaal werkt Bonne bij mevrouw Waghto. Ze was werkster en nu ze hem over de vloer krijgt, zet ze hem hard aan het werk. Het huis staat vol kitscherige spullen en aan de muur hangen stuitend lelijke schilderijen. Valens beschrijft prachtig de tegenstelling tussen die smakeloosheid en ‘echte’ kunst. Als de vrouw hem vraagt om ‘die schilderijen af te nemen met nat’, blijkt ze een geborduurd paneeltje en een ingelijste foto te bedoelen. ‘Ze had dus een heel andere, veel ruimere visie op de schilderkunst dan ik […] Op de Kunstacademie was de vraag of schilderen diende te gebeuren met verf, met foto’s, met video’s of met welk ander middel dan ook, juist hoogst actueel dat jaar.’

In ‘Ramen Lappen’ zit Bonne privé in een dip. Hij krijgt geen penseel meer fatsoenlijk op het doek, maar gelukkig mag hij van de weduwe Honkoop de ramen lappen. Dit is zijn favoriete bezigheid: ‘Glas filtert, breekt, vervormt en trilt en is, ofschoon een volmaakt platte scheiding van de ruimte, een bron van diepte en dromen.’ Het is geen wonder dat van ramen lappen zijn inspiratie weer gaat vloeien. Mooi in dit verhaal is ook zijn oprechte waardering voor de kleurig gebreide babykleedjes van de weduwe: ‘Honkoop had een erg mooi gevoel voor kleur en ritme, zonder dat ze het zich bewust was, leek het.’

In het verhaal ‘De originele berichten’ heeft Bonne een mannelijke cliënt. Deze Ripmeester is licht godsdienstwaanzinnig en niet al te schoon. Douchen vindt Ripmeester bijvoorbeeld overbodig en het bed verschonen hoeft niet vaker dan één keer per maand. De wc is een feest van aangekoekte spetters van dubieuze oorsprong, om van de geur maar te zwijgen: ‘De stank die me tegemoetsloeg prikkelde mijn ogen en mijn ademhalingsapparaat schakelde terug in de versnelling die eigenlijk bedoeld is voor metrogangen waar brand is uitgebroken.’

De verhalen zijn plastisch geschreven en gaan niet voorbij aan het poep- en piesgehalte van het thuiszorgvak. Soms schildert Valens met zijn woorden de treurige omstandigheden in de seniorenflats zo realistisch dat je het verval van zijn cliënten voor je ziet. Hij noemt de befaamde schilder Jeroen Bosch niet maar de taferelen die hij beschrijft roepen zonder moeite de beelden uit diens schilderijen op. Gelukkig blijft Valens een groot mededogen met zijn ouwetjes houden, zelfs bij de enkeling die een egocentrische sukkel blijkt te zijn.

Als Jeroen Bosch in 2005 zou leven, zou hij in Meester in de hygiëne nieuwe inspiratie kunnen vinden. Voor ieder ander die niet opziet tegen liederlijke taferelen is dit een vermakelijk en inzichtelijk boek.

ISBN: 9789045700946

Sterren: ***

Uitgeverij: Augustus

Voor het eerst gepubliceerd op Bazarow.