Recensies van actuele boeken

Marcia Luyten – Máxima Zorreguieta  Moederland

Heldere beelden uit een rijk leven

‘Nee’, zei Marcia Luyten. Ze had geen belangstelling voor het schrijven van een biografie over Maxima. Haar uitgeefster opperde in 2016 dat idee; het was toen vijf jaar voor Maxima’s vijftigste verjaardag. Luyten had niets met koningshuizen, niets met roddelbladen om over Oranjes te lezen. Dus ze bedankte voor de eer. Gelukkig gaf haar uitgeefster niet op: stel dat het koningshuis ruimte laat voor een zo goed en correct mogelijke weergave van Máxima’s leven? Luyten zocht het uit, ging overstag, en nu ligt er dit stevige boek. Over onze eigenste koningin.

Gemengde gevoelens dringen zich direct op bij het voorgaande. Geen belangstelling? Niets met koningshuizen? Zal het Luyten dan wel lukken om voldoende inspiratie te vinden? Om voldoende dichtbij te komen om sowieso wat info los te peuteren? Laat de Rijksvoorlichtingsdienst of welke subafdeling daarover ook gaat, dat neuzen in het leven van de koningin toe? Is Luyten over haar weerzin heen gekomen? Hoe was Máxima daar zelf onder? En Alexander, die vast ook een mening heeft over publiciteit rondom zijn vrouw? Kortom: is het een ‘zo goed en correct mogelijke weergave van Máxima’s leven’ geworden?

Ja.

Kort antwoord, duidelijke conclusie. Dit is een puntgave biografie. Luyten is als een succesvolle kruising tussen een terriër en een mol in Máxima’s leven gedoken en diept daar een ruime hoeveelheid informatie uit op. Zo ruim dat het nu al niet meer in één boek past. Dit boek is deel 1, dat loopt tot eind jaren negentig. Máxima is dan actief in de bancaire wereld, in Manhattan, maar ze is niet meer happy in die omgeving. Ze zoekt naar nieuwe uitdagingen en vindt die ook, maar pas in deel 2. Dat u het weet.

Luyten gaat gedisciplineerd als altijd te werk. Solide bouwt ze haar onderzoek op, beginnend bij de achtergronden. Die liggen in Argentinië, Buenos Aires. Daar wordt de koninginnenbaby geboren, in die wereldstad groeit ze op:

“Ze houdt van de flair van het stadse leven. Van de ijssalons en patisserieën, van Parijse terrasjes waar dames van tachtig van een espresso nippen, ze houdt van theaters, opera en restaurants, van de feesten thuis bij vrienden en het dampend stampen van de nachtclubs, in al die opzichten is ze vol overgave porteña, een vrouwelijke inwoner van Buenos Aires. Máxima is jong in een mondaine stad die onverbrekelijk verbonden is met het platteland. Want daar draait in Argentinië alles om: om familie en grond.”

Wat volgt is de geschiedenisles: ‘alles wat je misschien ooit over Argentinië wilde weten.’ Een beetje te uitgebreid om de vaart in het boek te houden maar wel nuttig voor wie de historie van dat land niet stante pede paraat heeft. Kortweg: familie en grond. De familie is de heersende klasse van invloedrijke personen. Samen beheren ze heel, heel veel grond. Dat gaat gepaard aan duizelingwekkende inkomsten, wat het makkelijk maakt om aan de macht te blijven. De ‘onderklasse’ is ook nuttig maar moet haar plaats kennen en vooral daar ook blijven. De strijd tussen die twee machten beheerst Argentinië in een golvende beweging. Zo vormt zich het fundament onder het leven van Máxima: een nieuwsgierige, jonge vrouw die zich laaft aan alle mogelijke indrukken in het mondaine Buenos Aires.

Kalm haar verhaal optrekkend, gaat Luyten de gangen van de familie Zorreguieta na. Onvermijdelijk komen we dan bij de vraag of de vader van Máxima, Jorge Zorreguieta, op de hoogte was van de grove mensenrechtenschending van de regering in de jaren 70. Een regering waar hij deel van uitmaakte. Latere getuigenissen laten daar geen twijfel over bestaan: iedereen wist dat het leger een repressiecultuur uitvoerde, willekeurige mensen oppakte en in martelkamers of uit helikopters smeet, er verdwenen mensen voor altijd (de ‘dwaze moeders’): het land voerde een vuile oorlog met zijn eigen burgers.Papa Jorge stippelde uiterst behoedzaam zijn carrière uit, steeds hoger komend in de regeringshiërarchie. Hij was een ontsnappingskunstenaar als het ging om betrokkenheid bij de misdaden tegen de menselijkheid mede onder zijn bewind. Een schurend voorbeeld: in 2001 moest hij zich verantwoorden voor de verdwijning in 1976 van een meisje: Lidia Inés Amigo. In de rechtbank verklaarde hij: ‘Ik heb ze toen verwezen naar een militair, want dat waren degenen die dit wisten.’ Acht jaar later werd het stoffelijk overschot van Lidia gevonden, ze bleek met kogels doorzeefd.

Die onfrisse achtergrond besmet het blazoen van de Zorreguieta’s, maar staat op voldoende afstand tot Máxima om haar ‘normaal’ te laten opgroeien:

“Het meisje ontwikkelde uiteenlopende, zeer verschillende kwaliteiten, die later waardevol zouden blijken… De schikgodinnen waren Máxima gunstig gezind; ze heeft een regelmatig gelaat met grote ogen en dito mond – voorbodes van een fotogeniek gezicht. Haar handen en enkels zijn slank en elegant. Ze lijkt het bewijs te zijn voor Leonardo da Vinci’s stelling dat een kind geboren uit liefde en begeerte is gezegend met een positieve natuur. Máxima is ontvankelijker voor geluk dan voor getob. En ze was fortuinlijk met de coördinaten van haar wieg: was ze vier kilometer naar het noordwesten, aan de andere kant van het spoor in de krottenwijk Villa 31 geboren, dan had he er ook met haar giften anders uitgezien.”

En door pakt Luyten (ze haalt met gemak de 300 bladzijden), met de periode dat Máxima in de bancaire wereld in New York aan het werk gaat. Daar raakt het verhaal weer aan de familie van Máxima: haar halfzus Dolores woont ook in die stad en is kunstenaar. Ze is gefascineerd door de oude wreedheden van de Junta. Ze maakt in 1994 een kunstwerk ‘Wounds’. Bloederige hompen vlees met pleisters erop hangen aan draden in het plafond. Het bloed komt in forse hoeveelheden door de pleisters heen. Naar de betekenis van dat werk hoeven we niet te raden. Máxima gaat overigens niet langs bij haar jongste halfzus.

Met Máxima’s werkzaamheden in New York gaat het, parallel met de financiële wereldwijde problemen, minder goed. Het bedrijf waar ze in dienst is, laat Máxima gaan en ze staat op een keerpunt in haar leven. Elk jaar eind december gaat ze naar huis om oudjaar te vieren met haar vrienden. Daar bezint ze zich op haar toekomst. Hoe die eruit ziet, gaan we dus lezen in deel 2 van dit uitstekend beschreven levensverhaal. Kom maar op met dat boek.

Sterren: ****

ISBN: 9789403194806

Uitgeverij: Bezige Bij

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Rindert Kromhout & Sandra Klaassen – Ik ga bij Japie wonen

Het gras is altijd groener …

Als de titel van dit prentenboek u bekend voorkomt, dan komt dat door brood. King Corn om precies te zijn. Om de verkoop van dat fabrieksbrood te bevorderen, bedacht copywriter Jim Prins eind jaren ’60 deze slagzin: ‘Ik ga bij Japie wonen, want daar hebben ze King Corn’. Of Kromhout en Klaassen de titel met dit feitje in het achterhoofd hebben gekozen weten we niet, maar het blijft wel hangen, en het is leuke trivia.

Papa en dochter Ietje wonen vreedzaam samen. Tenminste, totdat papa op een dag pannenkoeken aan het bakken is en Ietje zegt: “Ik vind jou niet zo lief. Ik vind de mama van Japie veel liever… En hij mag elke avond net zo lang opblijven als ze wil. Japie mag álles van zijn moeder. Heeft hij zelf gezegd!”

Zoals we allemaal weten, heeft een vader tegenover de wensen van een dochter absoluut niets in te brengen, dus gaat Ietje bij Japie slapen. Japie’s moeder zegt: “Voor een paar daagjes mag dat best.”

Eén doorlopend en nooit eindigend feest dus voor Japie en Ietje. Ze bouwen een spoorbaan van bovenaf de trap door het hele huis heen, daarna gaan ze naar een tuin waar kabouters zijn, ze bezoeken Ome Koos die een reuzentaart aan het bakken is. En ’s avonds slapen ze. Of niet meteen.

De tekeningen laten een grappig roodharig manneke en een levenslustig, verward langharig meisje zien. Een lust voor het oog zijn ze. Gedeeltelijk in grijs/wit/blauwe tinten, met op ongedachte plekken naar de voorgrond springende kleuraccenten zoals het rode haar van Japie.

Het illustratiewerk is zo goed dat het hier en daar de tekst overschaduwt. Wat de tekst vertelt, vertelt de begeleidende tekening heel veel uitgebreider. De kleine lezertjes kunnen zich verliezen in talloze details waarvan er steeds meer lijken te ontstaan als je er langer naar kijkt. Een leuk en verrassend, lief prentenboek dat de kleuters zeker zal bevallen. En wij volwassenen gebruiken de vormgeving en heldere tekst dan maar als tegenwicht voor die ietwat stoffige moraal.

Sterren: ***

ISBN: 9789025880149

Uitgeverij: Leopold 

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Nadav Vissel – Het grote niets

Met kinderogen kijken naar de gevolgen van de Holocaust

‘Cynisme geef je door, dat wilde ik niet doen,’ aldus schrijver Nadav Vissel in Het Parool over zijn roman ‘Het grote niets’.

Dat niet doorgeven van cynisme is goed gelukt: de hoofdtonen in deze roman zijn humor, begripsverwarring en ongemakkelijkheid. Logische zaken in het leven van een jongetje. Sterker: voor een jongetje dat opgroeit in een Joodse familie. Sterker en specifieker: voor een jongetje dat opgroeit in een Joodse, door oorlogsgebeurtenissen akelig beschadigde familie.

Een deel van Vissels familie werd namelijk tegen het einde van de oorlog gedeporteerd naar Westerbork. Gelukkig voor hen waren er tegen die tijd geen verdere deportaties naar Auschwitz meer, zodat ze levend terugkeerden in Nederland. Levend, maar van een normale familie was na de oorlog geen sprake meer. Te veel gezien, te veel meegemaakt.

In een spervuur van emoties groeit Naff (zoals hij in het boek heet) op. De sfeer is erg goed neergezet:

“Zolang ik me kan herinneren, hing er een ‘Ding’ bij ons in de kamer… Ik voelde al van jongs af aan dat het er was, alleen hing er een waas van geheimzinnigheid omheen… Het begon met een fotoboek…Mevrouw Cohen was wat schichtig en nerveus en bleef aan de andere kant van de tafel staan. Ze aaide met haar hand over een fotoboek… Op de voorkant stond een foto van mannen in zwarte pakken die in een kuil stonden. Soldaten keken vanaf de rand op ze neer. Van soldaten wist ik op die leeftijd wel wat het waren. Van de mannen in de zwarte pakken in de kuil had ik tot dat moment niets geweten, en waarom ze in een kuil hadden gestaan ook niet.”

De zevenjarige Naff is een clever jochie dat allang door heeft dat de mensen in zijn familie wel heel vreemd reageren, alleen het waarom heeft hij nog niet uitgevogeld. Hij is echter behalve slim ook ongeremd in zijn vragen, erg rechtdoorzee, duidelijk, helder. Die eigenschappen maken de vragen die hij op de familieleden afvuurt veel te expliciet, rijten oude wonden open, brengen herinneringen naar boven die beter beneden kunnen blijven, en verstoren de moeizaam opgebouwde daar-praten-we-niet-meer-over consensus tussen de familieleden.  

Op een wrang-grappige manier komt zo de beladen geschiedenis van zijn familie aan het licht. De kleine Naff kan goed tekenen én verhalen vertellen; helaas zijn ook die teksten/tekeningen te confronterend voor zijn familieleden. Idem voor de schooljuf die hij treft als ze naar een ander dorp verhuizen.

Vissel treft op veel manieren de juiste toon in dit boek. Vanuit de beleving van Naff beschrijft hij humoristisch/subtiel diens nog grotendeels ongevormde omgevingsbewustzijn. Ook de vastbeslotenheid van de jongeman om met zijn tekst en tekeningen ‘iets’ te doen komt prima naar voren. De eerste ervaringen op seksueel gebied, de volwassenen die hem slecht begrijpen en wederzijds: het wordt allemaal in een prima leesbare stijl beschreven. Ook de krampachtigheid van de familieleden om het vooral niet over de oorlog te hebben is goed neergezet. De arme beschadigde zielen van hen die de oorlog hebben overleefd zullen met zwarte vlekken op hun aura hun leven moeten voortzetten. De galgenhumor die daaruit voortkomt, tragikomisch zoals in de beste Joodse traditie, is het smeermiddel in dit verhaal en maakt het onzegbare draaglijker.

‘Ik wilde opschrijven hoe een naoorlogs kind opgroeit in een Joods gezin dat de oorlog heeft meegemaakt, en de absurde aspecten van zo’n thuissituatie,’ zegt Vissel tenslotte in het Parool-interview. Ook dat is, kunnen we beamen, dik voor mekaar.

Sterren: ****

ISBN: 9789044978650

Uitgeverij: Signatuur

Ook verschenen op Hebban en De Leesclub van Alles 

 

Christina von Dreien – Uiteindelijk komt alles goed

Bewust vrede scheppen

Christina von Dreien (2001) is één van die jonge mensen die de wereld gaat verbeteren. Dat is zo te lezen het streven, maar misschien is de uitvoering minder eenvoudig dan het klinkt. Zo dient bijvoorbeeld Greta Turnberg de klimaatontkenners op stevige manier van kritiek, maar dat lost de wereldwijde vervuiling/opwarming niet op zolang we nog geen vuist kunnen maken tegen onbekommerd gif in zee dumpende industrieën. Christina von Dreien laat op een ander vlak haar stem horen: ze vertelt hoe we zelf een volmaakte wereld kunnen scheppen.

In dit boek vertelt ze hoe zij tegen het huidige tijdsgewricht aan kijkt. Uitgeverij Akasha bracht het boekje uit. Subtitel: “Hoe we zelf een volmaakte wereld kunnen scheppen.” De teksten ‘komen voornamelijk uit het seminar in Salzburg van 29 augustus 202 en zijn aangevuld met fragmenten uit andere seminars en Christina’s nieuwsbrieven.’

Christina is wat onze gepensioneerde meesters van de typetjes Kees van Kooten en Wim de Bie een ‘positivo’ zouden noemen. Ze heeft het weldadige vermogen om van alles de zonzijde te zien, om zware zaken licht te maken. Dat treft want er is veel werk te doen, onze aardbol is anno 2021 namelijk met een plaag overspoeld die Corona heet. Een plaag die voorlopig nog niet van plan is weg te gaan ook. Ze zegt er het volgende over:

“In tijden zoals deze kan het ons veel hoop en vertrouwen geven als we onszelf eraan blijven herinneren dat we niet alleen zijn, maar dat er overal heel veel mensen zijn die, net als wij, de wereld willen helen, en dat deze volmaakte wereld er ook zal komen. Want één ding is zeker: dit is niet het einde van de wereld en uiteindelijk komt alles goed. De kracht van onze gedachten kan samen met de energie van onze gevoelens de hele wereld in positieve zin veranderen. Als genoeg mensen op Aarde tegelijkertijd slechts één dag tevreden zijn met hun leven, zal het hele negatieve systeem ineenstorten. Alles kan van het ene op het andere moment veranderen.”

Dit is de kern van haar betoog. In de rest van het boek wordt die boodschap vaak herhaald en is steeds dezelfde: laat je niet bang maken. De ‘verhalenvertellers’ proberen je bang te maken zodat je hun opgelegde regels en verordeningen volgt (wat ‘hun’ beweegredenen zijn verduidelijkt ze jammer genoeg niet). Als je in ‘hun’ praatjes meegaat, word je negatief en kun je dus niet samen met alle andere optimisten genoeg optimisme uitstralen om de huidige deplorabele toestand in de wereld te stoppen.

Waarschijnlijk, hopelijk, bedoelt ze het goed. Als iedereen positiviteit zou uitstralen, is de wereld een betere plek. Dat lijdt geen twijfel. Maar of daarmee een hardnekkig & dodelijk virus verdwenen is? Het is de vraag of je met dit soort omfloerste taal de mensen niet juist in de ontkenning jaagt. Of in de armen van virusontkenners/complotdenkers.

Komaan, we gaan ervan uit dat Christina het goede beoogt. Ze toont in elk geval moed en dat kan niet elke politicus zeggen. Haar boodschap is die van liefde, van vriendschap, van vreugde. Dan hoeven we alleen maar blij zijn met ons eigen leven, één hele dag. Maar wel allemaal tegelijk. Oké, wie begint met aftellen?

Sterren: ***

ISBN: 9789460152054

Uitgeverij: Akasha

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Bertram Koeleman – Het dreigbed

Langzaam onder de huid krauwend onbehagen

Zelden dekte een boektitel beter de lading. Niet alleen geeft het woord ‘dreigbed’ een vuig sudderende ondertoon van naderend onheil aan; ook de samentrekking van ‘dreigen’ en ‘bed’ bruuskeert het veilige nestgevoel dat een bed zou moeten bieden door het, nou ja, dreigende dat het eerste woord in zich heeft. Daarnaast is ‘dreigbed’ een onbekend woord, een neologisme, wat de nieuwsgierigheid alleen maar aanjakkert.

Hooggespannen verwachtingen derhalve voor ‘Het dreigbed’, dat ook het eerste verhaal in de bundel is. De lezer is te gast in een gezin waar aan de eettafel enige spanning heerst. Wat heet: de moeder probeert tevergeefs de orde te handhaven bij het oorlogszuchtige gedrag van de kinderen ten opzichte van elkaar. Van het ene kind komt een buitensporig negatieve reactie, de moeder hoopt op een correctieve houding van de vader maar die laat het afweten. Zoals gewoonlijk. De verhoudingen zijn duidelijk: dit is de gebruikelijke frustratie waar beide ouders tegenaan lopen.

Dat kan niet lang goed gaan. De spanning in het gezin stijgt rap, maar de verrassing hier is dat het geen psychologische maar een ander soort spanning is. In een paar minuten wordt iets dat leek afgestorven weer levend maar dooft door externe invloeden net zo snel weer uit, wat het frustratieniveau tot gevaarlijke hoogten opjuint. Hoe dat afloopt verklappen we niet maar wees gerust, de lezer wordt niet teleurgesteld.

Een ijzersterk begin, en eigenlijk –gek als het klinkt – is die eerste zinderende vertelling te goed. In een verhalenbundel is altijd één verhaal het beste en één het slechtste, en daar tussenin zweven de andere. Met dat vreemde psychologisch alle kanten op gaande eerste verhaal en de verrassende ontknoping is een hoge lat gelegd. Het duurt meer dan de helft van het boek voor een volgend verhaal weer dat niveau haalt. Dat is overigens geen kritiek, zelfs Hemingway schreef niet alleen topverhalen.

Het volgende verhaal van dat hoge beginniveau is “Aantekeningen over schrijven – een verhaal”. Hier benadert Koeleman het ‘vak’ schrijven vanuit de insider:

“Lange tijd wilde ik niet schrijven over het schrijven. Dat heeft vooral te maken met het sterk onbewuste element van mijn proces. Meestal begin ik vanuit een beeld of een zin. Waar dat beeld of die zin vandaan komt, is ook voor mij vaak onduidelijk…

Maar het idee om dat abstracte proces concreet te maken begon me te fascineren. In mijn doorwaakte nachte bleef ik maar malen: wat gebeurt er nou eigenlijk in dat hoofd wanneer ik aan het schrijven ben? …”

Vervolgens legt hij alle elementen van het schrijfproces onder de microscoop. Langzaam de spanning opvoerend laat hij zien hoe associaties leiden tot zijsprongen of nieuwe gedachten, hoe ingrijpend de keuzes zijn die de schrijver moet maken – elk woord leidt tot een ander woord, en je moet verrekt goed weten waar je heen wilt en wat je eigenlijk wilt zeggen om je verhaal rond te krijgen. Verplicht leeswerk voor elke beginnende schrijver, dit.

Nog een afzakkertje, qua lichtend voorbeeld? Oké, ‘De missie’ dan. Dit zou weleens de geschiedenis in kunnen gaan als het ultieme oorlogsverhaal. Verhalen over, in en door de oorlog kennen we natuurlijk maar al te goed. Maar op deze missie gaat de protagonist wel heel diep. Zo diep dat wij als lezer alle ongerijmde en ridicule aspecten van een oorlog meemaken.

‘Patience’, zoals onze held genoemd wordt, is een door de wol geverfde soldaat. Hij doet zijn werk alsof hij een timmerman is, of een accountant, maar dan met zijn automatische wapen en in een militaire outfit. Het verslag van de omzwervingen van ‘Patience’ kan het best zelf gelezen worden, voor de impact, als we ons een oorlogsuitdrukking mogen veroorloven, welke impact niet gering is. Koeleman voert ons langs alle aspecten van de idioterie van oorlog: het vechten, de chaos tijdens een aanval, de angst voor de dood, de onverschilligheid die een ervaren soldaat bevangt na te veel missies, de ongerijmde beslissingen die een legerleiding ergens ver weg jou als blind gehoorzame commando oplegt, dat dus.

Vakwerk. En snel gaan lezen die bundel.

Sterren: ****

ISBN: 9789025458072

Uitgeverij: AtlasContact

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Ramsey Nasr – De fundamenten

Ramsey Nasr – De fundamenten

Hebzucht, onvermogen en een nieuw begin. Misschien.

Dit boek is bescheiden in zowel formaat als dikte. Het zou zomaar in je binnenzak, handtas of broekzak passen om mee te nemen en op ongeregelde tijden open te slaan en een stukje hardop te lezen. Dat is met klem aan te raden want het staat barstensvol wijze woorden.

Een fijne boodschap is het echter niet die Ramsey Nasr ons hier brengt. Au contraire, mon cher. In klare taal: de wereld gaat naar de ratsmodee en wij overleven het niet. De mensheid parasiteert al eeuwenlang op onze mooie blauwe bol (blauw ja, vanuit de ruimte gezien) en zo langzamerhand komt het einde van alle bronnen, de natuur, het voedsel, de lucht en het water in zicht. Waarbij je ‘langzamerhand’ eigenlijk moet lezen als ‘bliksemsnel’.

Klinkt dat verontrustend? Zo is het ook bedoeld. Nasr zat, net als iedereen in Corona-lockdown en gaf in een drietal essays woorden aan zijn gedachten. De essays verschenen in NRC Handelsblad. Dat hij tijd genoeg had om zijn bezorgdheid puntig te verwoorden, wordt duidelijk bij lezing. Met een logisch opgebouwd verhaal geeft hij inzicht in de huidige toestand in de wereld, de levenshoudingen die daarvoor verantwoordelijk zijn, en het onplezierige vooruitzicht dat aan de horizon wacht als we blindelings doorgaan zoals we doorgaan.

Als het daarbij bleef, was dit een ‘gewoon’ analytisch boek zoals er meer zijn. Nasr gebruikt echter zijn formidabele taalgevoel (en vileine humor) om zijn punten te maken, inclusief verwijzingen naar economen, filosofen en marktwerkingdenkers. In de inleiding legt hij Boccaccio’s boek over de pest Decamerone naast de huidige Covid pandemie, die daar raakvlakken genoeg mee heeft. De Decamerone kwam weer in de publiciteit toen theatergezelschap ITA tijdens de pandemie besloot dat verhaal in delen voor te lezen in de Amsterdamse stadsschouwburg. Hij deed zelf de aftrap – en kwam los uit zijn lethargie.

In de tekst van het boek is mooi te zien hoe op dat punt het nadenken op gang kwam. Eerst over de belangrijkheid van kunst:

“De laatste keer dat dat gebeurde was in 2010. Toen waarde weliswaar geen virus maar wel Halbe Zijlstra door het land, ons eigen mislukte plurkenplaagje. Het kabinet Rutte 1 kondigde in dat jaar vernietigende bezuinigingen aan op kunst en cultuur, waardoor de sector gedwongen werd zich de Grote Bestaansvraag te stellen. Wat is dat, kunst? Wat is onze toegevoegde waarde? Ik herinner me pleidooien … waarin gewezen werd op de grote economische waarde van kunst of op haar veronderstelde nut voor de samenleving. Terwijl haar kracht nu juist ligt in het ontbreken daarvan.”

En door naar de huidige politieke situatie. We lezen over een politiek klimaat dat ons allemaal overkomen is de afgelopen jaren. Een klimaat dat zorgt voor bezuinigingen op essentiële onderdelen in de maatschappij, dat een zekere toeslagenaffaire mogelijk maakt, en niet in de laatste plaats de ongebreidelde winsthonger van aandeelhouders. En de daarmee samenhangende kansloze banen aan de onderkant van de maatschappij.

Geen fijne leeskost,  maar wel noodzakelijk om te snappen hoe het zit. En hopelijk ook een incentive te geven om te bepiekeren hoe het verder moet. Nasr steekt met dit ideeënboek een thermometer in de fundamenten van een koortsige wereld, en de uitslag noopt tot stevig nadenken. Liefst een beetje snel.

Sterren: ****

ISBN: 9789403135311

Uitgeverij: Bezige Bij 

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Stephen King – Later

Subtiel verhaal met net te weinig suspense

Stephen King fikst het weer: een nieuw boek in zijn steeds verder expanderende universum. Ook na zijn zeventigste verjaardag schrijft de man nog alsof de duivel hem op de hielen zit. Wat misschien niet ver van de waarheid is, gezien zijn gebruikelijke horrorgerelateerde onderwerpkeuze.

Op de horror komen we nog terug. Eerst het verhaal. Dat gaat over Jamie Conklin, een jongeman die is geboren met een bovennatuurlijke gave. Hij leeft samen met zijn moeder in een appartement en samen balanceren ze op de rand van een faillissement. Mama houdt net het hoofd financieel boven water als literair agent. Jamie op zijn beurt ‘ziet’ dingen: ‘I can see dead people’ is voor de filmkenner een bekend citaat, en voor Jamie ook.

Dode mensen zien is voor een kind nogal angstaanjagend. Het moment waarop Jamie ontdekt dat hij die gave heeft, beschrijft King excellent. Jamie en zijn moeder lopen de trap op naar de tweede verdieping van hun appartementengebouw. Ze moeten langs het appartement van mevrouw en meneer Burkett. Jamie merkt dat er iets mis is, want meneer Burkett rookt een sigaret en dat doet hij normaal nooit. Hij staat samen met zijn vrouw voor de deur.

“Mevrouw Burkett droeg een nachtpon en had niets aan haar voeten. De nachtpon was behoorlijk dun. Ik zag bijna haar hele hebben en houden erdoorheen. Meneer Burkett had geen aandacht voor mij…’Tia, ik heb verschrikkelijk nieuws. Mona is vanochtend overleden.’…

Mama nam hem net zo in zijn armen als ze met mij deed als ik me had bezeerd… Op dat moment begon mevrouw Burkett tegen me te praten. Ze was moeilijk te verstaan, maar niet zo moeilijk als sommige anderen, omdat zij nog betrekkelijk jong was… Mevrouw Burkett zei: ‘Als hij niet uitkijkt, schroeit mijn man straks je moeders haar met zijn sigaret.’”

Een interessant uitgangspunt voor een verhaal, al heeft het iets weg van die film. King weet er toch een aardige draai aan te geven. Het is namelijk niet alleen huiveringwekkend als je met doden kunt praten, het heeft ook voordelen. Voordelen die anderen goed kunnen gebruiken. Als Jamie namelijk vragen stelt aan de doden, kunnen ze niet liegen. De allereerste die gebruik/misbruik maakt van Jamies onverwachte krachten is zijn moeder, wel met een goed doel, namelijk hun eigen deplorabele financiële situatie opkrikken. Zij laat Jamie met een net overleden bestsellerauteur praten die zij vertegenwoordigt, en hem vertellen wat hij wilde schrijven. Zo krijgt mama de plot van het nieuwe boek van de sterauteur in handen. En kan ze het boek zelf schrijven, c.q. de duizelingwekkende inkomsten opstrijken.

Jamie is door King heel goed neergezet. De recht-voor-zijn-raap taal van met name de jonge Jamie komt levensecht over. Complimenten overigens voor de puike vertaling, die voornoemde taal perfect overzet in het Nederlands.

Dan over de horror. Onzegbare, duivelse krachten die om de hoek lurken is het handelsmerk van King, zo ook hier. Niet alle dode mensen zijn namelijk vredig gestorven, noch hebben een bestaan geleid met een onberispelijk strafblad. Dat weten meerdere mensen, mensen die ook volgaarne gebruik willen maken van Jamies diensten. Goedschiks of kwaadschiks.

In die richting ontwikkelt het plot zich al snel, en helaas wordt het verhaal hier ook enigszins voorspelbaar. Waar het sterk begon met de in het duister tastende en zich langzaam zijn ijzingwekkende noodlot realiserende Jamie, zakt het halverwege langzaam in. Wat op het niveau van King toch wel weer goed genoeg is om te lezen, al is het maar omdat je wilt weten wat het kippenvelopwekkende einde zal zijn.

Sterren: ***

ISBN: 9789022592809

Uitgeverij: Boekerij 

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Rutger Bregman – De meeste mensen deugen

Homo homini ovis

Het is een niet gering statement dat Rutger Bregman hier maakt, een donderslag bij heldere hemel, een enorme steen van grote hoogte in een rimpelloze vijver: de meeste mensen zijn moreel oké. 

Dus mensen deugen. Bij het verwerken van die stelling popt veel beeld en geluid op. Bijbelse taferelen van gekruisigde misdadigers; Romeinse legerleiders die meedogenloos volkeren afslachten; Atilla de Hun die hetzelfde deed; Monty Pythons ‘no one expects the Spanish Inquisition’; de 1e, 2e en 3e (of is die nog niet geweest?) Wereldoorlog; Pol Pot, Ted Bundy, Stalin. En die mensen zouden wel OK zijn?

Bregman gaat al deze donkere episoden en de figuren die ze veroorzaken virtueel langs, op zoek naar tegenvoorbeelden. Dat is in essentie wat hij doet: het bekijken van een vaststelling, onderzoeken hoe en waarom die vaststelling tot stand kwam, en het tegendeel bewijzen. Met de vasthoudendheid van een hongerige tijger bijt hij zich vast in de materie en het resultaat is op zijn minst onverwacht.

Zo bekijkt hij psychologische experimenten die in de loop van de geschiedenis zijn gehouden, die allemaal concluderen dat mensen ten opzichte van elkaar roofdieren zijn. Het beruchte experiment in de kelder van de Universiteit van Stanford voorop. Daar werd een groep willekeurige mensen verdeeld in bewakers en gevangenen, welke machtsverdeling door de bewakers werd misbruikt door de gevangenen te kleineren. Het is inmiddels breder bekend geworden dat de leider van dat experiment de resultaten naar zijn hand zette. En belangrijker: dat de deelnemers helemaal geen zin hadden in die scheve machtsverdeling. Punt voor Bregman.

Idem bij Stanley Milgram en de schokmachine. Ook zo’n oude bekende: vrijwilligers mochten mensen aan de andere kant van de lijn elektrische schokken geven. De vrijwilligers konden de mensen aan de andere kant niet zien, alleen horen. Dat de toedieners van de schokken steeds verder gingen, ook al werden de pijnkreten aan de andere kant alarmerend, is inmiddels ook achterhaald. De opsteller van het experiment had de feiten niet helemaal juist weergegeven.

Dit is allemaal nog verklaarbaar. Maar het serieuze werk begint bij het hoofdstuk: “Hoe verklaar je Auschwitz?”

De vraag stellen is hem beantwoorden. Als er één schrijnend voorbeeld is van misdaden tegen de menselijkheid, zijn het wel de concentratiekampen van de Nazi’s. Daarnaast blonk het Duitse leger uit in oorlogsvoering. Waren de Duitsers zo verdorven en gek op vechten? Kun je dat verklaren?

Een voorbeeld uit het boek. De jonge psycholoog Morris Janonitz kreeg de taak het moreel van de Duitsers te onderzoeken.

“Al sinds het begin van de Tweede Wereldoorlog waren de meeste psychologen ervan overtuigd dat één factor de gevechtskracht van een leger het sterkst bepaalt: ideologie… De Duitsers moesten volgens de experts wel bezeten zijn… Dat zou ook verklaren waarom ze veel harder vochten dan de Britten en de Amerikanen. Historici stelden na de oorlog vast dat een gemiddelde soldaat van de Wehrmacht 50 procent meer slachtoffers maakte dan een soldaat van de geallieerden….

Wekenlang interviewde de jonge Morris de ene na de andere Duitse krijgsgevangene… Nee, ze waren niet gehersenspoeld. Uiteindelijk was er een veel eenvoudiger reden, vertelden ze, een simpele verklaring voor de bijna bovenmenselijke prestaties van het Duitse leger.

Kameradschaft.

Vriendschap.

Uiteindelijk vochten ze voor hun makkers, die ze niet in de steek wilden laten.” 

De Duitsers waren dus niet zozeer monsters als wel goede vrienden van elkaar. Dat verklaart Auschwitz voor een deel, maar niet helemaal. Toevallig zat Bregman niet lang geleden in een talkshow en werd gevraagd of hij de mensheid positief bekijkt.  ‘Eigenlijk hebben we die plicht wel,’ antwoordde hij. Als een soort contrapunt voor alle ellende in de wereld misschien?

In de loop van zijn boek behandelt Bregman nog vele andere zaken als De Verlichting, de Homo Ludens, en hoe thee te drinken met terroristen. Dat brengt ons buitengewoon interessante inzichten die zijn stelling telkenmale onderbouwen dat de mens zijn medemens niet haat maar liefheeft. We zijn in ons diepste wezen een zachtaardig wezen, een homo puppy. Die hoopvolle gedachte moeten we dan maar koesteren.

Sterren: ****

ISBN: 9789082942187

Uitgeverij: de Correspondent BV

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Katrijn Joris – Inwijdingsweg van een priesteres

In dienst van de Grote Moeder

Het is een wonderlijk maar intrigerend verhaal dat Katrijn Joris hier vertelt. Terugkijkend op haar leven – ze is in 2021 op haar pensioengerechtigde leeftijd, uitgaande van de genoemde geboortedatum in haar verhaal – vertelt ze chronologisch over de groeifases die ze in haar leven heeft meegemaakt. De episoden die leidden tot wat ze nu is: een Priesteres.

Dat verdient nadere explicatie, beginnend bij het begin, haar geboorte. Ze beschrijft hoe ze is ‘geland in mama’s buik’. Dat is met de meeste mensenbaby’s zo, maar haar zienswijze gaat iets dieper:

“Dan keert mijn bewustzijn terug van waar ik vandaan kom. Gedragen door zachte wolkenarmen en slierten en slingers van licht, verlaat ik dan mijn thuiskamertje van vlees en bloed en laat ik mij glijden op stralen en golven van wit, geel en schitterend lichtblauw licht. Recht naar de diep donkerblauwe, duistere ruimte die zich opent en mij liefdevol ontvangt zoals alleen maar een verdwaald, dolend, verloren, zoekend kind opgevangen kan worden door de hemelse Moeder en Vader.

Daar, waarnaar ik dan terugkeer, zijn Vader en Moeder één…. Bewustzijn ben ik; puur bewustzijn dat gevormd wordt tot een tijdloze ziel.”

Een bloemrijke beschrijving, daar valt niets op af te dingen. De inhoud is een andere zaak. Hier komen we in aanraking met het esoterische gedachtengoed dat alles één is. Het leven en de dood zijn samen een holistisch geheel waarin geboren worden, leven en sterven een cyclus vormen om in het ondermaanse leven ervaringen op te doen. Voor die visie is wat te zeggen, en al deelt niet iedereen hem, het is interessant genoeg om er kennis van te nemen.  

Katrijn beschrijft de babystapjes die aan het begin staan van de Inwijdingsweg waar de titel naar verwijst. Ze komt op die Inwijdingsweg terecht op een rustige manier, na een half leven van andere zaken aan haar hoofd. Na een druk bestaan in de media krijgt ze steeds meer signalen dat er meer moet zijn.

Als ze op zoek gaat, komt ze in aanraking met zaken die haar echt interesseren en kiest ze er uiteindelijk voor om haar hart te volgen. Ze laat zien hoe specifiek haar leven zich in deze holistische richting heeft ontwikkeld, op de weg zoals hierboven beschreven – richting Priesteres. Met die opleiding en titel kan ze aan de slag om mensen te helpen: tegenwoordig is ze te vinden in het spiritueel centrum De Maancirkel in België, waar ze als energetisch therapeut mensen begeleidt.

Sterren: **

ISBN: 9789463310246

Uitgeverij: Hajefa

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Wolfgang Hilbig – Oude afdekkerij

Een wandeling in het park waar je niet wil zijn

Het is meestal geen goed idee terug te gaan naar goudgerande jeugdherinneringen. Al die mooie zaken die je voor het eerst beleefde: de duizelingwekkende eerste zoen, de vakantie aan een ongerept strand in Italië, de fles ouzo op een andere vakantie, het idyllische plaatsje waar je opgroeide, je eerste echt goede vriend/vriendin – laat ze fijn in je herinnering sudderen en schud ze niet op. Niet zelden zal anders teleurstelling je deel worden..

Die waarheid heeft Wolfgang Hilbig ook doorgrond. Het is denkbaar dat hij in één van zijn meest neerslachtige buien dit verhaal op papier slingerde, een verhaal dat niet de vrolijkheid in pacht heeft. Zoals de voorflap opgewekt samenvat:

“In Oude afdekkerij richt Wolfgang Hilbig zijn hypnotische proza op het punt waar identiteit, taal en de donkerste hoofdstukken van de geschiedenis samenkomen. Het begint met een jongen die geobsedeerd wordt door een lege en vervallen kolencentrale omdat hij vermoedt dat die iets te maken heeft met de mysterieuze verdwijningen die in de streek plaatsvinden. Maar wanneer hij als jongeman terugkeert naar de plek en zijn herinneringen – het gebouw is inmiddels veranderd in een ‘afdekkerij’, een abattoir dat dode dieren verwerkt – realiseert hij hoeveel hij gemist heeft. Met een sfeer die veel te danken heeft aan Edgar Allan Poe en een syntaxis die aan James Joyce doet denken, roept dit suggestieve, dreigende verhaal de verloren onschuld van de jeugd op.”

Op die sfeer qua Poe en syntaxis van James Joyce komen we nog terug. Eerst het woord ‘afdekkerij’. Een abattoir is dat, waar kadavers worden uitgeladen op weinig zachtzinnige wijze. Daar hebben we meteen enorm veel sfeer van Poe, want de observator ziet namelijk lijven die kadavers onder het uitstoten van hese bevelen uit de gapende ruimte van een smerige veewagon sleepten, met flikkerende en druipende ijzeren haken, die in de weke delen van de dieren worden geslagen, en die dieren schokten en spreidden hun tegenstribbelende poten dwars over het perron, varkens enzovoort, met doorgebeten tongen voor hun schuimende muilen .. en zo gaat het bladzijdenlang door. Lees twee bladzijden Poe en merk hoe hij zijn horror een stuk subtieler dan hier vorm gaf.

Ook over James Joyce niets dan goeds, behalve dat het lezen van ‘Ulysses’ een helse taak is juist vanwege de syntaxis. Joyce hanteerde namelijk als drijvende schrijfkracht de ‘stream of consciousness’, waarbij de schrijver alle opkomende gedachten ongeordend aan het papier toevertrouwt. Dit boek opteert eenzelfde soort syntaxis te hebben en dat klopt. Helaas, mogen we eraan toevoegen. Het verhaal is te volgen, maar alleen als je mee kan gaan in de waanbeelden die in een soort deliriumtoestand en koortsig doemsdagproza over de lezer worden uitgestort, proza waar de vier ruiters van de Apocalyps, boze geesten, en nachtmerries nooit een komma ver weg zijn.

Het is dan ook nauwelijks meer nodig om erop te wijzen dat dit geen vriendelijk verhaal is. Integendeel. Het is meer één grote waarschuwing – dat is wat dit relatief korte verhaal boeiend (en weerbarstig) maakt. Met een allesdoordringende somberheid als propeller. Hilbig geeft de donkerheid van het leven in zijn tijd, en daarmee de uitzicht-, en zinloosheid van het bestaan in dat tijdsgewricht vorm. Rauw als de oorlogsdreiging zelf, uitzichtloos en duister. Mooi gemaakt, een onaangename maar al te realistische vorm. Niet lezen voor het slapengaan, is de aanbeveling.

Sterren: ***

ISBN: 9789492313935

Uitgeverij: Koppernik

Ook verschenen op De Leesclub van Alles