Recensies van actuele boeken

Jan Meeus – De Schiedamse cocaïnemaffia

Alles voor het snelle geld

Jan Meeus, misdaadverslaggever van NRC Handelsblad, beet zich vast in de steeds sneller om zich heen grijpende cocaïnehandel in Nederland. Hij zocht uit hoe de doorvoer van het witte pretpoeder via de Rotterdamse haven in zijn werk gaat, wie de corrupte ambtenaren zijn en met welke (semi)criminele vriendjes die samenwerken.

Dit is de realiteit: grote ladingen cocaïne komen de Rotterdamse haven binnen en gaan in containers, vaak verstopt tussen geïmporteerd fruit, verder Europa in. In de tv-journaals van de afgelopen jaren zagen we dit soort meldingen voorbijkomen. Vraagtekens voor de leek. Cocaïne in Rotterdam? In containers, doorgesmokkeld? Hoe kan dat? Simpel: omdat het zeer lucratieve handel is waarmee makkelijke pegels geïnd worden.

Hoog tijd om daar iets aan te doen. De Nederlandse recherche heeft al aanwijzingen, maar wordt geholpen door twee moordaanslagen. Op Schiedammer Dennis van den Berg en Rotterdammer Rinus Moerer (beide kennen elkaar uit de drugshandel) wordt een moordaanslag gepleegd, die Rinus niet overleeft. Eén van de drugstransporten van Rinus – 300 kilo cocaïne met een groothandelswaarde van ca 10 miljoen – is op 9 december 2013 onderschept in de Rotterdamse haven. De recherche hoort in de onderwereld dat deze aanslagen met dat drugstransport samenhangen, en er worden twee onderzoeken naar drugshandel gestart. De eerste naar die 300 kilo cocaïne en de tweede naar de cocaïnesmokkel door Van den Berg en een dan nog onbekende douanier.

Meeus komt dit verhaal op het spoor. Hij wil er meer van weten en spit alle stapels strafdossiers van deze onderzoeken door, voert gesprekken met vrijwel alle betrokkenen:

“Alles bij elkaar levert dat een beeld op van een criminele vete die draait om niet nagekomen afspraken, miljoenen aan drugsgeld en de vraag wie de controle had over een corrupte douanier. Zijn naam: Gerrit Groenheide, een carrièreambtenaar uit het Westland die zijn hele werkzame leven bij de douane heeft doorgebracht.”

Als Meeus de hele zaak tot op de bodem heeft uitgezocht, zet hij het relaaas op papier. Dat doet hij in een kristalheldere stijl, te beginnen een strakke samenvatting van de contouren van het drama. Daarna laat Meeus zien hoe de recherche zo’n onderzoek aanpakt, hoe stap voor stap de verdachten met belastende bewijzen worden geconfronteerd en uiteindelijk hoe (in dit geval) de Schiedamse cocaïnemaffia in elkaar steekt.

Een mooie vondst in dit boek is de toelichting van al deze personen met een minibiografie. Die maakt de meeste motieven, maar belangrijker, de kruisbestuivingen tussen alle betrokkenen onderling duidelijk. Zulke saillante info geeft het drama extra diepgang – het is precies wat de lezer wil weten. Excellente onderzoeksjournalistiek, we kunnen niet anders zeggen.

Sterren: ****

ISBN: 9789046827086

Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

P.C Cast – De Dysasters

Tienerliefde, een geheim experiment en o ja, de wereld redden

Hoe zorg je ervoor dat lezende Young Adults niet na dertig bladzijden buffelen in een papieren boek zich verveeld op hun mobieltje storten? Stop er ten eerste voldoende spannende elementen in. Schrijf vervolgens het verhaal bijzonder filmisch op, zodat het leest als een snelle, hippe Netflixserie met alle plotwendingen op de juiste plekken om de lezer/kijker aan de avonturen van de helden gekleefd te blijven. En helden, kies aansprekende helden.

Dat aspect is in De Dysasters top. We hebben een held en een heldin: Tate en Foster. Vanuit Fosters perspectief betreden we het verhaal, zij is het even razend slimme als eigenwijze meisje dat met haar adoptiemoeder Cora dwars door Amerika trekt op zoek naar… ja naar wat eigenlijk? ‘Who knows’.

We komen daar meer over te weten als ze – beetje toevallig – opbotst tegen Tate, de breedgeschouderde aanvoerder van het lokale football team. Hij is uiteraard een hork zonder manieren, een lompe spierbonk met een pindabrein. Best wel aantrekkelijk maar om met zo’n hulk ooit een date te hebben, ‘no way’.

‘Thank God’  hoeft dat ook niet, maar ze zijn wel tot elkaar veroordeeld omdat ze beide speciale krachten hebben. Dat ontdekken ze als er tijdens een footballwedstrijd van Tate een dodelijke tornado door het station wervelt, alles verwoestend, en Foster de gave blijkt te hebben om de elementen te beheersen. Tate ook, merken ze een paar seconden daarna als hij haar komt helpen. How come?

Dat ligt gevoelig, classified information zogezegd, maar om een tipje van de sluier op te tillen: Fosters vader heeft nog voor hun geboorte een geheim experiment uitgevoerd. Niets bijzonders – iets met genetische manipulatie en het vernietigen van de wereld. Het is duidelijk: de twee helden hebben een missie. Ze moeten Tates vader stoppen voor hij hun leven en de rest van de wereld vernietigt.

‘Too much information’, laten we ons op andere zaken richten. De schrijfstijl? Erg springerig. Een stukje tekst van Foster:

“’Ik snap nog steeds niet hoe je iets kunt weten over mijn Jedi mind trick.’ Ze sprong het trottoir op en trok een denkbeeldig lichtzwaard.

‘Jedi bestaan helemaal niet, en ik ben veel te slim om slachtoffer te worden van je neurolinguïstische onzin.’

‘De Jedi bestaan niet?’ Foster zette haar lichtzwaard uit en hing het aan haar riemlus. ‘Mijn hart gebroken, dat heb je. Mijn jeugdfantasieën verbrijzelen, dat doe je.’

Cora tuitte haar lippen. ‘Mmm, mmm, mmm. vreemd, dat ben je. Mallotig zul je altijd zijn.’

‘Was dat Yoda-stijl? Je training vordert goed, jonge Padawan. En over training gesproken: ga jij rijden naar waar we ook naartoe gaan?’

‘Nee.’ Cora maakte de auto open en Foster ging achter het stuur zitten. ‘En ik heb geen training nodig. Ik kan rijden. Jij bent er alleen beter in dan ik, à la Evel Knievel.’”

Snelle dialogen, hippe uitdrukkingen, veel verwijzingen naar Americana. Het zou een uitgeschreven aflevering van ‘The Dysasters, seizoen 1, aflevering 1’ kunnen zijn. De schrijvers hebben dat waarschijnlijk ook voor ogen: een jong en hip publiek ‘that loves action’. En een Nederlandstalig publiek dat botweg vertaalde verwijzingen naar de Amerikaanse cultuur zonder uitleg snapt. Dat publiek zal zeker dit eerste deel van een serie weten te waarderen.

Sterren: ***

ISBN: 9789000363254

Uitgeverij: van Goor

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Jacques Meerman – Mediterraneo

Op zoek naar de verloren maaltijd

“Een culinaire reisgids voor de mediterrane middeleeuwen” is de ondertitel van dit boek. Dat klopt, maar ook weer niet. Vooralsnog heeft de argeloze lezer alleen houvast aan de uitleg op de achterflap: “…schrijft Meerman met Mediterraneo een nieuw culinair standaardwerk, waarin hij als eerste de voornaamste eetculturen van Europa, Afrika en Azië met elkaar in verband durft te brengen.”

Op reis dus, zoekend naar de wortels van onze voeding, in het spoor van beroemde reizigers rond de Middellandse Zee in de twaalfde, begin dertiende eeuw. Waarom specifiek deze periode? Omdat juist in de twaalfde eeuw de kruisbestuiving tussen de oude grootmachten (Byzantium, de Arabisch- of Perzisch sprekende gebieden) en de nieuwkomers (Catalonië, Italië) op gang kwam. Er ontstond een lappendeken van talen, godsdiensten, keukens en gebruiken.

Meerman leidt de lezer rond aan de hand van vier gidsen. De eerste is een anonieme Franse monnik die halverwege de twaalfde eeuw al reizend een handleiding voor pelgrims naar Santiago schreef. De tweede gids is rabbi Benjamin van Tuleda die 20 jaar later een wereldreis vanuit Noord-Spanje begon. De derde is Ibn Jubayr, een hoveling/ambtenaar die in de jaren tachtig van de twaalfde eeuw als pelgrim naar Mekka trok. De vierde en laatste is de Marokkaanse geograaf al-Idrisi die rond 1150 een encyclopedisch overzicht van de toen bekende wereld schreef.

Meer dan genoeg informatie om over uit te weiden, en dat doet Meerman dan ook. Dat uitweiden tekent zich na het lezen van de eerste 14 bladzijden al af: ruimhartig associërend dwaalt de schrijver rondom een onderwerp, haalt er duidelijke maar ook vage bronnen bij en komt via een kronkelige omweg weer bij zijn te maken punt. Dat zit de continuïteit van het verslag wel enigszins in de weg.

Daarnaast waarschuwt de schrijver: “alles in het Middellandse Zeegebied van de twaalfde eeuw hangt alles met alles samen, en dat is juist onoverzichtelijk.” Volgt nog een rijtje disclaimers. Zo is het Middellandse Zeegebied niet erg definitief omschreven wat betreft inwoners en  culturen: “De juiste betekenis blijkt hopelijk altijd uit de context.” En: “Zelfs de ondertitel van dit boek spreekt niet voor zich.” En: “Er is nog een ander probleem. Hoe kun je weten wat er vroeger gegeten is?” En: “Weer een ander probleem is dat een bijna onvoorstelbare hoeveelheid recepten en kookboeken uit die tijd eenvoudig verdwenen of vernietigd is, zodat er weinig te vergelijken valt.”

Wie dus verwacht een kraakhelder reiskookboek in handen te hebben dat je openslaat bij pakweg ‘Perzische gerechten’, om daar een rijtje vintage recepten aan te treffen: neen.

Wie verwacht een reisverslag a la Paul Theroux te vinden, vol anekdotes en plaatselijke obscuriteiten, komt beter aan zijn trekken. Zo is er een apocrief verhaal over de Franse koning Filips Augustus die als pelgrim Pavia aandeed. “Hij kreeg wat ook de andere pelgrims aten: slappe vleesbouillon op oud brood, en werd zo kwaad dat hij de keuken in rende, twee eieren pakte en ze boven zijn soep brak. Daarmee zou de beroemde zuppa pavese ofwel soep uit Pavia geboren zijn.”

Meerman gaat nogal springerig om met het verstrekken van informatie, wat maakt dat het lezen niet altijd makkelijk verloopt, maar wel avontuurlijk is. Vlees noch vis, zou men het schertsend kunnen samenvatten, maar daarmee doet men het boek tekort. Dit is een zoektocht, tastend in het halfduister van diep in de mist der geschiedenis weggezakte periodes waarin nieuwe vormen van eten werden ‘uitgevonden’. Meerman geeft naar beste vermogen weer wat er nog te achterhalen is van onze vroegere manieren van voedselontdekking en -bereiding. Een culinaire queeste.

Sterren: ****

ISBN: 9789026343377

Uitgeverij: Ambo/Anthos

Ook verschenen op Hebban en De Leesclub van Alles

 

Philippe Claudel – Onmenselijk

Ontregelende verhalen

Philippe Claudel kunt u kennen van zijn prachtroman ‘Grijze zielen’, of van één van de andere ijzersterke boeken die hij schreef. In de schrijverspikorde staat hij in de buurt van het bovenste blokje van het erepodium, dat hij met elk nieuw boek dichter nadert. Dit nieuwe boekje (123 pagina’s), laat qua volume zijn redelijk obese oeuvre niet heel veel verder uitdijen. De inhoud daarentegen wel: dit zijn 25 bijzondere verhalen.

Waarom bijzonder? Omdat ze ontregelend werken, tegen gangbare normen ingaan, politiek zeer incorrect zijn, de spot drijven met moderne uitwassen en doordrenkt zijn van een gitzwarte kijk op de menselijke ziel. Zoals hier:

“Hulp bij zelfmoord”

“Gisteravond nodigde Turpon van de expeditieafdeling ons uit voor zijn zelfmoord. We waren met een man of twintig. Alleen de inner circle. Zijn vrouw had toastjes met tarama gemaakt. Of garnalenmousse. Moeilijk uit elkaar te houden. Zelfde kleur. Zelfde structuur. Mijn vrouw had haar zalmkleurige jurk aangetrokken. Turpon wil er al een tijd een eind aan maken. Hij heeft het over niets anders, zelfs in gezelschap. In de kantine hij is er bijna in geslaagd om een leegte om zich heen te scheppen. Niemand eet nog bij hem aan tafel. Zelfmoordenaars zijn vermoeiend…

De toekomstige weduwe van de toekomstige zelfmoordenaar deed met een grote glimlach voor ons open. Ze zag er ontspannen uit. Zijn we de eersten. Welnee. Jullie zijn zelfs de laatsten. We wachten alleen nog op jullie. Willen jullie wat drinken. Mijn vrouw was verrukt van het elegante interieur. Ik liep naar Durand die met Leroux stond te praten…”

Bijna alles aan (het begin van) dit verhaal is raar. De titel al. Hoezo hulp bij zelfmoord, bestaat dat dan? Dan de uitwerking. Een zekere Turpon wil er al een tijd een eind aan maken, en nu heeft hij eindelijk de moed gevonden om er hulp bij te zoeken. Sterker: een bijeenkomst voor te organiseren. Dan de stijl. De zinnen lopen staccato door, alleen gescheiden door komma’s en punten. Ook gesproken tekst wordt niet zoals gebruikelijk aangegeven door aanhalingstekens. Vragende zinnen komen ook zonder vraagtekens. Maar notabel genoeg leest het niet lastig. Na een paar zinnen zit je al in het ritme en lees je moeiteloos mee.

Alle verhalen zijn in deze non-stijl geschreven, met grofweg dezelfde ontregelende thematiek. Het is een prestatie van Claudel om op die manier toch goed leesbare verhalen neer te zetten. Wel zijn er een paar bij die iets minder geslaagd zijn, maar dat is in een verhalenbundel bijna onvermijdelijk.

Eén opmerkelijk aspect ontbreekt nog: de zwarte humor die het boek doordrenkt. Volgens Claudel zelf is hij ‘ervan overtuigd dat er situaties zijn waarbij de literatuur de rol van schuurpapier op zich moet nemen. Om de hersens op te schuren – het doet eerst pijn, maar daarna kriebelt het ook.’ Juist. Deze verhalen geven de gangbare normen en waarden een duwtje, zou je kunnen zeggen, en mij bevielen ze uitstekend. Mocht u gaan lezen: ‘Kerst in familiekring’, waarin de kerstman een zeer apart onthaal krijgt, is één van de betere.

Sterren: ****

ISBN: 9789403103006

Uitgeverij: Bezige Bij

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Anna Sólyom – Kaizen

Elke dag iets beter

De mensheid onderging de zitzak, Feng Shui, het brooddieet, knickerbockers, tiny houses, de antiautoritaire opvoeding, skating en tuinbroeken. Trends die na verloop van tijd allemaal zijn overgewaaid. Goed, tiny houses nog niet, maar hoe lang kan dat duren? Hier hebben we ‘Kaizen’, een fraai trendy woord dat zoveel wil zeggen als ‘jezelf elke dag een beetje verbeteren’.

Anna Sólyom pakt het structureel aan. Ze verdeelt het boek in ‘Ochtendrituelen’, ‘Lunchrituelen’, ’Middagrituelen’ en weinig verrassend: ‘Avondrituelen’. Tenslotte is er nog ‘Rituelen voor feestdagen en speciale gelegenheden.’ Aan al die tijdstippen verbindt ze tips en trucs om bijvoorbeeld in hoofdstuk 15 ‘op tijd naar huis te gaan’ door effectieve multitasking:

“De Pomodorotechniek. Dit blijkt een timemanagement-tool te zijn, eind jaren tachtig van de vorige eeuw ontwikkeld door de Italiaan Francesco Cirillo. De naam Pomodorotechniek komt omdat hij als student een keukenwekker gebruikte die de vorm had van een tomaat (pomodoro in het Italiaans). 

De techniek houdt in dat je je werk opdeelt in intervallen van 25 minuten met daartussen steeds een korte pauze, en na een bepaald aantal pomedoros (zoals de intervallen worden genoemd) een langere pauze. Het blijkt ook erg goed te werken als studie aanpak…

-kies een taak die je wilt uitvoeren.

-reserveer de vastgestelde 25 minuten voor je pomodoro.

-werk ononderbroken aan je taak totdat de wekker gaat.

-als de kookwekker gaat, zeet je een streepje op een stuk papier…

-Neem vijf minuten pauze…

-Ga naar je volgende pomodoro en neem als je vier achtereenvolgende pomodoros hebt afgewerkt een langere pauze (15-20 minuten)”

Het ganse boek is opgebouwd uit dit soort ‘geleende’ technieken waarmee je allerlei soorten menselijke zwakten te lijf kunt gaan. Zit je vastgelijmd aan de mobiele telefoon, kun je je computer niet uitzetten? Dan is er ‘Shinsin Yoku’, ofwel het Bospad. Een Japanse trend die voorschrijft dat je je telefoon én je dagelijkse problemen achterlaat en voor onbepaalde tijd het bos in gaat.

Is je leven hartstikke ineffectief? Installeer dan het Pareto-principe in je leven, de zogenaamde 20-80 regel. Want met 20 % van de mensen in de wereld wordt 80 % van alle grondstoffen gedolven. Ga je met verzenuwde gelaatstrekken en klamme handen naar een netwerkborrel? Volg de tip van de Amerikaanse manager Keith Ferarri: eet nooit alleen. Tijdens gezamenlijke maaltijden komt altijd wel een gesprek op gang, wie weet met welke gevolgen.

Leef je van de hak op de tak zonder planning, loop je altijd tevergeefs achter de feiten aan? Lees ‘Het verbogen leven van bomen’ van Peter Wohlleben. Dat boek maakt duidelijk met hoeveel zorg bomen ten minste een jaar van tevoren beslissen wanneer ze gaan bloeien. Kun je niet prioriteren? Luister naar de podcast van Stephen R. Covey over zijn ‘De zeven eigenschappen van effectief leiderschap’, dan komt het wel goed.

Meer spoilers gaan we niet weggeven, het voorgaande is alleen om een idee te geven hoe het boek is opgebouwd. Het grootste bezwaar is dat alle tips bestaande wijsheden zijn, bij elkaar gesprokkeld uit tientallen populaire boeken. De tips kunnen zeker nuttig zijn, en toepasbaar, maar de ‘oplossingen’ zijn te obvious. Ze worden gebracht met zo’n onwaarschijnlijke kijk op de maakbaarheid van het leven, dat deze ‘Kaizen’ bijna niet anders dan op een teleurstelling kan uitlopen. Behalve natuurlijk als deze aanpak voor u wel werkt; aarzel dan geen moment en gris het boek uit de schappen.

Sterren: **

ISBN: 9789047012719

Uitgeverij: Business Contact

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Taran Matharu – De Uitverkorene

Een nachtmerrie in twintig dimensies – of toch echt?

“Hij gleed uit in de natte modder en viel plat op zijn rug. Voor hem draaide het monster zich met een krijs om en kneep zijn zwarte ogen half dicht. Het sprong boven op hem. Schreeuwend van angst en wanhoop haalde Cade naar hem uit.

Zijn hand verdween in de open strot, en de lengte van de handbijl was het enige wat voorkwam dat het beest zijn tanden in zijn pols zette.

Het wezen snakte naar adem en krijste het uit. Zijn klauwen grepen Cades borst en drongen in zijn huid. Bloed liep over zijn arm omlaag. De punt van de steen sneed door het verhemelte van het beest. Wanhopig schopte Cade om zich heen. Het wezen kwam omhoog en wrikte de steen uit zijn bek…”

Dat ziet er niet best uit voor hoofdpersoon Cade Carter. Deze tiener heeft de twijfelachtige eer om een manier te vinden om dit verhaal te overleven. Hoezo? Nou, op een kwaad moment wordt hij vanuit zijn eigen tijd naar een andere wereld getransporteerd, een wereld vol Pterodactyloidea, andere kwaadwillende dinosaurussen en gekker nog: mensen uit verschillende tijdperken.

Daarin moet je als lezer mee willen gaan. Of je vindt die sprong te onwaarschijnlijk. Of je leeft je voldoend in. In dat geval heb je een beest van een verhaal te pakken. Goed geschreven. Spannend. Onverwacht. Bloederig. En met een waarschijnlijk slechte afloop, of redt hij het toch? Nagelbijtend lees je door.

Taran Matharu weet deze spanning erin te houden door Cade op vrijwel elke nieuwe bladzijde te laten bespringen door nieuwe gevaren. Het is een twintigdimensionale nachtmerrie, maar dan echt. Ook de dosering is goed getimed. We krijgen het leven van Cade voorgeschoteld in gemakkelijk verteerbare porties. Wisselend per hoofdstuk vinden we hem in het heden, en in het verleden (zes maanden geleden).

Dat verleden was geen eitje. Cade is van school gestuurd naar een strafkolonie, omdat op zijn kamer een stapel dure laptops was gevonden. Volgens de politie had hij die gestolen, maar volgens Cade was dat zijn kamergenoot. De kamergenoot die de politie wél geloofde. Matharu laat voortreffelijk zien hoe de pikorde in zo’n strafkolonie werkt, met bullebakken die de dienst uitmaken en de meer timide jongens die afgebekt worden. Onnodig te vermelden wie de timide jongen in dit geval is.

In de andere hoofdstukken bevindt Cade zich dus in de helse (nep?)wereld. Wel krijgt hij gezelschap, vreemd genoeg zijn dat de bullebakken uit zijn verleden. Ook hier zet Matharu moeiteloos neer hoe de machtsverhoudingen zijn, en hoe Cade probeert die in zijn voordeel om te buigen. Maar waarom is hij hier?

Er is maar één ding duidelijk: hij moet vechten voor zijn leven. Zijn worsteling met het monster hierboven is nog maar een opwarmertje voor wat hem te wachten staat. Samen met de groep anderen moet hij zich door een grof toernooi heen knokken, op bevel van geheimzinnige opperheren. Wie en waarom?

In dit Contender 1-boek wordt daarover slechts een tipje van de sluier opgelicht. Na een heel boek vol slopende gevechten, honger, dorst, kneuzingen, bloederige wonden en slaapgebrek krijgt de arme Cade opperorganisator Abaddon te zien. ‘Wat doe ik hier?’, is zijn enige vraag. Abaddon geeft een zeer deprimerende uitleg en eindigt met: “Het spel begint nog maar net.”

Er komt dus een vervolg. Als je als lezer daar het geduld voor op kunt brengen, en begrip voor deze erge lange aanloop naar een vervolgdeel 2, dan kun je daar watertandend op wachten. Zo niet, dan is al dit lijden wel een erge eh… lijdensweg. Een kleurrijk beschreven lijdensweg, dat wel.

Sterren: ***

ISBN: 9000367535

Uitgeverij: van Goor

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Lidewij Martens – Steigereiland

Laveren tussen spanning en human interest

In de niet aflatende stroom thrillers die ons in de zomerperiode overspoelt, is uitgeverij HarperCollins een belangrijke speler. Ze brengen grote namen uit als Karin Slaughter, Lina Bengtsdotter en Daniel Silva, die zeker één keer per jaar een nieuw boek produceren. Daarnaast komen ook ‘onbekendere’ namen aan bod, zoals in het onderhavige geval Lidewij Martens met Steigereiland.

De lay-out van het omslag, het lettertype en het beeld op de cover (een in de lens kijkend model met haar gezicht half onder water en het woord ‘Steigereiland’ wiegend in het water daaronder), roept bekende thrillerassociaties op. Lezen dan maar.

Dat gaat soepel. Martens heeft een lenige stijl die haar achtergrond als scenarioschrijver verraadt. Ze schreef voor diverse Nederlandse tv-series en daaruit herkent de lezer direct, zoals de achterflap behulpzaam souffleert, een beeldende, filmische stijl.

We duiken in de wereld van Lin, werkzaam in recherche-eenheid 3b, Regio Rijnmond. Ze wordt gebrieft over een drugsvondst met topprioriteit. Alle rechercheurs moeten het werk waar ze nu mee bezig zijn, laten vallen en zich inlezen in dit dossier. “Je hebt anderhalf uur tot de meeting.”

Martens zet de sfeer geroutineerd neer: “Er klinkt geroezemoes, de verwachting hangt boven alle gebogen hoofden, iets groots, een spannende zaak, waarin geprofileerd en punten gescoord kunnen worden Lin staat op van haar bureau, loopt naar de koffieautomaat in de hoek van de kantoortuin en werpt een blik naar buiten.”

Verschillende zaken vallen hier op. De koffieautomaat wordt onbehoorlijk vaak gefrequenteerd bij eenheid 3b, Regio Rijnmond. Dat is nogal clichématig en bovendien een verkeerde typecasting voor de arme machine.

Soepele taal, ook dat springt in het oog. Martens heeft het talent om situaties in een paar korte, krachtige zinnen neer te zetten, zoals van Gogh in vette verfstreken een korenveld op het doek zou kwakken. Daarnaast is het duidelijk dat Martens een verhaal kan vertellen waarbij de karakers van de personen snel duidelijk zijn.

Dan de spanning. Lin krijgt de nodige tegenslag te verwerken. Dat is essentieel in een thriller, maar gek genoeg is dat meteen ook het probleem. Martens volgt de wetten van een spannend verhaal op de letter en laat de plot zich op logische wijze ontrollen, maar logisch is niet altijd spannend. Ook van de andere gebeurtenissen druipt de spanning niet af, dus wordt de urgentie om door te lezen ook minder.

De makkelijk weghappende schrijfstijl maakt veel goed: die ondersteunt een constructie over een drugsvondst, de verdwijning van Lins buurmeisje Sabine en een tragisch ongeval van lang geleden. Alles is met elkaar verbonden, de vraag is alleen hoe? Volg de aanwijzingen, verbind de stippellijntjes en als geoefend thrillerlezer moet het niet moeilijk zijn om de clou te snappen voor die aan het eind van het boek wordt onthuld. Daarbij moet je wel door een tekst heen die niet goed kan kiezen tussen spanning en human interest, en daardoor twijfelt tussen die twee.

Sterren: **

ISBN: 9789402703528

Uitgeverij: HarperCollins

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Isaak Babel – Verhalen uit Odessa

Afschuwelijk realistisch

“Laten we het over Benja Krik hebben. Laten we het hebben over zijn bliksemsnelle opkomst en over zijn gruwelijke einde… hoe kwam het, dat alleen Benja Krik de top van de touwladder wist te bereiken en alle anderen beneden, op de wankele spijlen zijn blijven hangen?”

Met die vraag aan Reb Arje-Leib begint ‘Hoe het in Odessa toeging’, één van de ‘Verhalen uit Odessa’ die Isaak Babel schreef over zijn geboortestad. Babel bracht het joodse bandietendom tot leven door het dagelijkse leven in de ‘slechte’ wijk van Odessa in de jaren 20 van de vorige eeuw te laten zien. Wie deze pittoreske woordenschilderijen leest, kan niet anders dan bewondering krijgen voor een schrijver die met een ondertoon van mededogen zo’n kleurrijke, rauwe, grove, nietsontziende wereld kan oproepen.

Zo barsten de ‘Verhalen uit Odessa’ uit hun voegen van sjacheraars, oplichters, bruten, chanteurs, afpersers, enfin, personages uit het gehele misdaad-oeuvre. Het joods misdaadoeuvre wel te verstaan. Dat heeft zijn eigen mores, en taalgebruik, zoals het antwoord laat zien van Reb Arje-Leib op de vraag over Benja Krik: “Waarom juist hij? En niet die anderen? Is het dat, wat u weten wou? Luister dan – en vergeet een ogenblik dat u op uw neus een bril en in uw ziel de herfst draagt…Stelt u zich voor dat u een tijger was, een leeuw, een kater. Dat u een nachtje bij een Russische vrouw kon slapen en de Russische vrouw zou best over u te spreken zijn… En uw papaatje is de voerman Mendel Krik. Waar gaan de gedachten van zo’n papaatje naar uit? Zijn gedachten gaan uit naar een behoorlijk glas wodka, naar iemand die hij op zijn gezicht kan slaan, naar zijn paarden en naar niks anders. U wilt graag leven, maar hij laat u twintig maal per dag sterven. Wat zou u in de plaats van Beja Krik gedaan hebben? U zou niks hebben gedaan. Maar hij deed wel wat. Daarom is hij de Koning, terwijl u de kat in het donker knijpt.”

Prachtige citaten, hier ruim uitgemeten zoals u ziet; om de simpele reden dat Babel’s lenige, beeldende taal het beste in de volle breedte uitkomt. In een halve bladzijde vertelt hij meer dan sommige schrijvers in een hele roman, en dan zwijgen we nog over de onderliggende menselijke conditie die hij in zijn teksten legt.

Zoals we weten is die conditie zeer breed en dus ervaren we in dit boek heel verschillende verhaalvormen: celestijns soms, maar vaker afschuwelijk. De ongetwijfeld op echte mensen gebaseerde personages in zijn (bandieten)verhalen hebben vaak geen prettig leven. Het enige dat ze doen is overleven. En zelfs dat is in het Odessa van begin 20e eeuw niet vanzelfsprekend. Mensen worden neergeschoten, beroofd, of zijn berooid en slepen zich met hun laatste kopeke door het harde Russische leven.

Aan de andere kant grijpt Babel elke gelegenheid aan om mooie formuleringen te boetseren, soms gelardeerd met ironie. Een voorbeeld? Of u het nooit zou vragen. Dit komt uit het korte verhaal ‘Di Grasso’:

“Ik was veertien jaar en lid van het onverschrokken korps der handelaars in schouwburgkaartjes. Mijn chef was een flessentrekker van het zuiverste water met een permanent tot een spleetje dichtgeknepen oog en een enorme, zijdeachtige snor. Hij heette Kolja Schwartz.”

Volgt het relaas dat niet het gevraagde toneelgezelschap op komt dagen, maar een vierderangs gezelschap. Echter hoofdrolspeler Di Grasso blijkt een grootmeester van het drama. Op het moment suprème zweeft hij omhoog, meters hoog over het toneel, en het publiek staat op de banken. De gewiekste Kolja gooit onmiddellijk de prijzen omhoog en de komende maanden loopt hij binnen. Zijn kaartjesverkoper daarentegen niet – die verdient geen stuiver extra.

“Ik stond in die dagen aan de rand van mijn ondergang. Ieder ogenblik zou mijn vader het horloge kunnen missen dat ik hem zonder zijn toestemming had afgepakt om het aan Kolja Schwartz in onderpand te geven. Kolja, die zich aan het gouden horloge gehecht had en een type was dat ’s ochtends geen thee, maar bessarabische wijn placht te drinken, kon het, ook toen hij zijn geld terug had, niet over zijn hart verkrijgen mij het horloge terug te geven. Zo was nou eenmaal zijn karakter. En het karakter van mijn vader week in geen enkel opzicht van het zijne af. Ik zat lelijk tussen die twee mensen in de klem en keek toe, hoe de hoepels van het geluk mijner medemensen langs mij heenrolden.”

Die laatste woorden bleken voorspellend voor Babel zelf. Niet dat hij meteen tot de bedelstaf verviel, nee, eerst steeg Babels populariteit naar popsterachtige hoogten. Dat kwam door dit boek, maar vooral ook door zijn magistrale boek “Rode Ruiterij’’. Hierin beschreef hij mensonterende Pools-Russische oorlog van 1920. Om ‘meer levenservaring op te doen’ was Babel het leger ingegaan, en als lid van de 1e Cavalerie nam hij deel aan oorlog.

Zijn schrijfstijl en overtuiging trouw blijvend, rapporteerde hij de verhalen vers van de lever met een eerlijke verslaggeving van de gruwelen die hij observeerde. Die realiteit stond in schril contrast met de in die tijd gangbare revolutionaire propaganda, waardoor hij vijanden maakte in de hoogste politieke gelederen. Volgens de machthebbers zou hij de revolutie te subjectief beschrijven, maar in hun ogen nog erger was de kritiek die hij op de stalinistische methodes liet doorschemeren in zijn verhalen.

Het kon niet uitblijven: in mei 1939 werd hij gearresteerd door de NKVD, de voorloper van de KGB. In de beruchte Lubyanka-gevangenis werd hij ‘verhoord’ en bekende, zonder twijfel na  de gebruikelijke martelingen (zie ook –Aleksandr Solzjenitsyn – De Goelag Archipel), allerlei subjectieve activiteiten. De belangrijkste misdraging die in dat tijdsgewricht aan alle gevangenen werd toegeschreven: het ontplooien van anti-Sovjet activiteiten. Zijn dagen waren geteld. Begin 1940 werd hij doodgeschoten wegens spionage. Bij de arrestatie werden manuscripten en aantekeningen meegenomen, die tot op de dag van vandaag vermist zijn. Het enige van hem dat is teruggevonden, is zijn bril.

Sterren: ****

ISBN: 9029038527

Uitgeverij: Meulenhoff

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

Aleksandr Solzjenitsyn – De Goelag archipel

Gekneusd maar niet gebroken

Misschien al wel drie jaar kijk ik tegen drie boekenruggen aan. Tweedehands gekocht met het voornemen ze nu eens echt te gaan lezen. Deze op elkaar liggende drieling op elkaar is  samen zo dik als een gipsbetonblok. Het is Solzjenitsyns verslag van zijn hellevaart naar de strafkampen van de Goelag archipel; voor de goede verstaander: de vreeswekkende wereld van de strafkampen die het Sovjet-regime erop na hield vanaf de jaren 20 van de vorige eeuw. In mijn volksmond stond die stapel boeken frustrerend, want nog steeds niet geopend, bekend als De Dikke Drieling. In Nederland uitgebracht in 1974.

Dat De Drieling verschrikkelijke kost zou zijn, was geen wilde gok. Niet als het onderwerp strafkampen is. In de loop van de geschiedenis is men inventief geweest in het bedenken van corrigerende maatregelen voor mensen die er onwelgevallige ideeën op na hielden, en de kampen in de Sovjet Unie hebben daarin een bijzondere reputatie. Een duivels simpel en doeltreffend systeem maakten zij ervan. Bouw een gevangenis in een heel, heel onherbergzaam gebied, liefst met een vrijwel onoverleefbaar klimaat, en zet daar de tegendraadse mensen vast die je kwijt wilt. Voor een jaar of vier, minimum.

En ja, toen ik de bovenste van de Dikke Drieling opensloeg, was het inderdaad verschrikkelijke kost. Solzjenitsyn werd net als veel ‘verdachten’ opgepakt en tot een bekentenis gedwongen in de beruchte Loebjanka-gevangenis in Moskou. Wat maakte dat een groep communisten de macht kreeg om volkomen willekeurig leraren, officieren, partijbazen en andere mensen die de indruk gaven dat ze weleens een boek lazen, van d straat te rapen en gevangen te zetten? Sterker nog: dat de commies die groep in zijn geheel van de aardbodem wilde verwijderen? En daar voor een groot deel zelfs in slaagde?

Daar hoopte ik achter te komen in dit deel I van de Dikke Drieling. De leesimpuls gebeurde via een omweg: ik had de prachtige woordkunstschilderijen van Isaal Babel tot me genomen uit zijn bundel Verhalen uit Odessa. Ook hij was het slachtoffer was geworden van de moordlust van de Sovjet-autoriteiten. In zijn tijd was dat Stalin, die brute maatregelen uitvoerde in zijn ‘Grote Zuivering’ tussen de 20er en de 40er jaren van de vorige eeuw. Het kwam erop neer dat iedereen die afwijkend van het communistische gedachtengoed handelde (of zelfs maar dacht, of iets op papier zette, of in de verkeerde windrichting ademde), vijand van het regime was. En als zodanig opgepakt, verhoord en gemarteld werd tot men bekende dat men een samenzwering tegen de Sovjet Unie steunde. Of wereldwijd de Sovjet Unie in een kwaad daglicht zette. Of eigenhandig een spijkerbom had gemaakt voor onder het Kremlin.

Het frappeerde me dat (bijna) al die ‘vijanden van het regime’ uiteindelijk de belachelijkste verklaringen ondertekenden, de onwaarschijnlijkste misdaden toegaven. Wat speelde zich af in die Loebjanka-gevangenis, waar ook Babel terechtkwam? In de biografie van Babel staat niet meer dan dat hij ‘waarschijnlijk onder folteringen bekend heeft dat …’ Dat lijkt me ook. Maar welke folteringen zijn er in hemelsnaam nodig om mensen pertinent onware ‘misdaden’ te laten toegeven? Bij Solzjenitsyn’s eerste deel kreeg ik daar onverwacht antwoord op.

Om te beginnen is “De Goelag Archipel” in veel opzichten een bijzonder boek. Het naakte feit dat Solzjenitsyn de barre strafkampen overleefde is op zich uitzonderlijk. Dat hij er, nadat zijn dagboeken zijn verbrand, toch nog een zeer gedetailleerd verslag over schrijft, ook. Maar dat hij het boek in zo’n bijna vrolijke, ironische stijl op aarde zet is onverwacht. Het hele verhaal lijkt sans rancune te zijn geschreven, terwijl de lezer de haren te berge rijzen bij de grove schendingen van elk soort mensenrechten die je maar kunt verzinnen. De beulen kenden geen genade. Alles voor de goede zaak: er moest gezuiverd worden.

En gezuiverd werd er. Het systeem was van een botte simpelheid. Men pakte iemand op die ‘verdacht’ was, en die persoon moest zijn of haar onschuld bewijzen. Er waren dus geen beschuldigingen, alleen vragen als ‘Heb je die avond die persoon ontmoet?’ Ja. ‘Hebben jullie gesproken over het communisme?’ Eh, misschien. ‘Hebben jullie je negatief uitgelaten?’

Eh, snel denken en het goede antwoord geven. Nee, ik denk van niet. ‘Ah, je dénkt van niet? De persoon die je daar ontmoette, zegt van wel.’ Shit, waarom heeft hij dat gezegd? Wat moet ik nu zeggen? ‘Eh, ik herinner het me niet.’ ‘O nee? En die andere avond, toen jullie in de kroeg zaten, twee weken later? Toen hadden jullie het weer over de staat.’ Eh, zou best kunnen. ‘Nee, dat is zeker. Jullie hadden het over de staat, dat heeft je vriend toegegeven. En hij heeft gezegd dat jij kritiek had op de staat. Klopt dat?’ Lichte paniek. Wat bezielde mijn vriend, waarom heeft hij dat allemaal toegegeven? ‘Eh, ik weet het echt niet meer, het is al zo lang geleden.’ ‘Leugens. Hij wist het en jij weet het. Geef het maar toe. Ik heb hier een verklaring waarin je het toegeeft. Teken die nou maar, dan ben je ervan af.’

Uren-, dagen-, vaak wekenlange nachtelijke verhoren werden op de gevangenen losgelaten. Die psychologische druk liet bij sommige gevangenen al snel doorslaan, maar de sterkeren konden dat wel pareren. Daarom ontwikkelden de ondervragers andere technieken. De manieren waarom ze ‘aandrang’ uitoefenden kwam in 52 varianten; Solzjenitsyn beschrijft ze minutieus en virtuoos. Hier enkele van de eerste tien uitgelicht, waar de soepele stijl de immense droefheid verergert:

“Laten we beginnen bij de psychische methodes. Voor konijntjes die zich nog nooit mentaal op het lijden in een gevangenis hebben voorbereid, zijn het methodes van een enorme en zelfs verwoestende kracht. Ja, al sta je ook stevig in je schoenen, dan is het nòg niet eenvoudig.

1.Laten we beginnen met het begin: de nachten. Waarom gebeurt al dat psychische breekwerk voornamelijk ’s nachts? Waarom hebben de Organen (de communistische organisatie-NV) al vanaf de allereerste jaren van hun bestaan toch de nacht ervoor uitgekozen? Omdat de arrestant ’s nachts, wanneer hij uit zijn zoete slaap is weggerukt (zelfs wanneer hij nog niet met slapeloze nachten is gekweld), onmogelijk zo evenwichtig en nuchter kan zijn als overdag, omdat hij toeschietelijker is.

2.Overreding op openhartige toon. Uiterst gemoedelijk. Waarom dat kat- en muisspel?… En de officier-commissaris spreekt hem loom en vriendschappelijk toe: “Je ziet het zelf wel, je straftijd krijgen doe je tòch. Maar als je je ertegen zult verzetten, dan zal je hier, in de gevangenis, eronderdoor gaan, je gezondheid verliezen. …Dus je kunt meteen maar beter je handtekening zetten…

Heel logisch. En degenen die toegeven en hun handtekening zetten, geven blijk van nuchter gezond verstand…”

  1. Grove scheldwoorden. Geen knap bedachte methode, maar wel een methode die uitstekend vat kan hebben op mensen die opvoeding hebben genoten, met tederheid zijn grootgebracht, fijngevoelig van aard zijn.
  2. Voorafgaande vernedering. Alexandra O. wilde in de Loebjanka maar niet de nodige aanwijzingen verstrekken. Zij werd naar de Lefortowo-gevangenis overgebracht. Daar gaf de vrouwelijke cipier haar bij de ontvangst bevel zich uit te kleden … terwijl ze haar naakt in de ‘box’ opsloot. Toen kwamen er mannelijke cipiers die door het kijkgaatje begonnen te gluren, grapjes maakten en discussieerden over het voor en tegen van haar figuurtje…
  3. Intimidatie. De meest toegepaste, en zeer gevarieerde methode. Vaak in combinatie met verlokkingen, met beloften: uiteraard valse. “U wilt niet bekennen? Dan zult u moeten doorgaan naar de Solovki. Maar wie wèl bekent, die laten wij gaan.”
  4. De werkwijze met geluid. De ondervraagde wordt op zo’n zes à acht meter afstand neergezet en moet dan aldoor alles luid zeggend herhalen. Voor iemand die al geradbraakt is, is dat geen kleinigheid. Of ze maken twee toeters van bordpapier en dan komt de officier-commissaris samen met een collega vlak bij de arrestant staan en schreeuwen ze hem samen in de oren: “Bekèn dan, monster!” De arrestant is met doofheid geslagen, verliest soms zijn gehoor.

Zoals u ziet is er variatie genoeg. Waterboarding staat er nog net niet tussen, maar er zullen vast methoden bij zijn die ook de Spaanse Inquisitie al gebruikte. Het menselijk lichaam is simpel martelbaar, daar doe je niks aan. De 42 andere vindingrijke manieren om de gevangenen zo snel mogelijk op de knieën te dwingen, zijn in het boek te vinden.

Solzjenitsyn bekende overigens wel, althans hij tekende een document waardoor hij werd doorgeplaatst naar de Goelag Archipel. Daar wachtte hem een oord erger dan de bovenverdieping van de hel, maar hij wist te overleven. Hoe speelde hij dat klaar? Hoe overleef je als alle hoop vervlogen lijkt?

Dit zegt hij er zelf over:

“Maar hoe dàn? Hoe kun je dan standhouden?: wanneer je pijn voelt, zwak bent, beminde personen hebt die nog leven, wanneer je onvoorbereid bent?… Wat is er nodig om sterker te staan dan de officier-commissaris en die hele uitgezette vangklem?

Je moet de gevangenis binnenstappen zonder beangst te zijn voor het verlies van je knusse leventje dat achter je ligt. Je moet op de drempel tot jezelf zeggen: het leven is voorbij, wel een beetje vroeg, maar niets aan te doen. Ik zal nooit meer naar die vrijheid terugkeren. Ik ben tot de ondergang gedoemd: nu meteen of wat later; maar als het later is, zal het juist moeilijker zijn; dus maar beter wat vroeger…

En tegenover zo’n arrestant … zal het apparaat van ondervragers moeten zwichten. Alleen hij overwint, die van alles afstand heeft gedaan!”

Sterren: ****

ISBN: 9022504077

Uitgeverij: de Boekerij

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

Sander Bax – De literatuur draait door

De schrijver in het mediatijdperk

Wie is Sander Bax, en wat heeft hij te zeggen over De Literatuur in Nederland? Bax is universitair hoofddocent literatuurwetenschap, cultuurgeschiedenis, en vakdidactiek Nederlands bij de Universiteit van Tilburg – best veel tekst voor op één visitekaartje. Hij werkt aan een literatuurgeschiedenis van de twintigste eeuw, en schreef eerst dus dit boek, waarin hij onderzoekt of er in dit door de media gedomineerde tijdperk nog wel ruimte is voor ‘echte’ literatuur die vernieuwend of tegendraads is.

Goeie vraag, die niet in een paar soundbytes beantwoordbaar is. Daarom pakt Bax het schematisch aan en definieert eerst de hoofdvraag van dit boek: ‘Hoe beïnvloeden de ‘discursieve’ (ongeschreven) regels van het medialandschap het gesprek over literatuur in de massamedia van de eenentwintigste eeuw?’ Met massamedia bedoelt hij radio, tv, dag- en weekbladen en sociale media.

Hij stelt drie van deze ‘regels van de hedendaagse mediacultuur’ aan de orde, en geeft ook aan waarom ze op gespannen voet staan met meer klassieke definities van literatuur. Regel 1 gaat over ‘succes’. Een succesvolle schrijver is aantrekkelijk voor de media, zodat de kans sterk toeneemt om aan de tafel van bijvoorbeeld Jeroen Pauw uitgenodigd te worden. Regel 2 verstrengelt zich daar direct mee: ‘de fascinatie van media voor het ‘echte, intieme, waargebeurde’. Als je succesvolle boek ook diep tragisch is, zal bijvoorbeeld M geïnteresseerd zijn, en zal Margriet niet alleen over het boek beginnen, maar verder graven naar liefst schokkende privé zaken. Hoe meer deze twee aspecten met elkaar samenhangen, hoe meer media-aandacht. Regel 3 tenslotte gaat over actualiteit en politiek. Als je roman een actueel of politiek standpunt verkondigt (bij voorkeur controversieel), dan stijgt de kans aanzienlijk om bijvoorbeeld bij Matthijs van Nieuwkerk aan tafel te komen.

Dit alles is niet nieuw, de insteek van Bax wel: hij zoekt uit of in het huidige medialandschap de definitie van hedendaagse literatuur vergeleken met klassieke literatuur nog wel hetzelfde is. Dat lijkt me niet, zou de oplettende lezer zeggen en inderdaad, die twee definities staan op gespannen voet met elkaar. Maar, en dat is het goede nieuws, ze sluiten elkaar ook niet uit.

Het boek geeft een aantal voorbeelden van schrijvers die in het nieuws zijn geplonsd. Daarover volgt een grondige analyse: in welk tv-programma verschenen ze, en welke andere media zoals kranten, tijdschriften, blogs, besteedden aandacht aan ze? De analyses volgen zulke verschillende schrijvers als Maxim Februari, Herman Koch, Kluun, Saskia Noort, Conny Palmen, Abdelkader Benali. Die afwisseling maakt het boek prettig leesbaar, naast de soms taaiere theorie.

We krijgen een goed beeld van het Nederlandse medialandschap, en als we aspirant schrijver zouden zijn, vergaren we tegelijkertijd uitstekende tips om met ons literaire werk in de media te scoren. Een aanrader: “De media bieden voor schrijvers mogelijkheden om aandacht te genereren, nieuw werk te presenteren, maar ook om een maatschappelijk punt te maken. Maar wie van die mogelijkheden gebruikmaakt, kan niet anders dan het mediaspel meespelen. Dat betekent voortdurend manoeuvreren tussen wat je van jezelf wilt laten zien en het beeld dat het medium van jou wil laten zien.”

Sterren: ***

ISBN: 9044640281

Uitgeverij: Prometheus

Ook verschenen op Hebban en  De Leesclub van Alles