Charles D’Ambrosio – Het dodevissenmuseum

Strakke verhalen, maar nog geen Hemingway

Een bundel korte verhalen met de fraaiste cover so far, geschreven door de man met de mooiste schrijversnaam in tijden: Charles D’Ambrosio. Een naam zo luisterrijk dat hij eigenlijk verzonnen zou moeten zijn. De kritieken van Charles’ verhalen zijn net zo luisterrijk: zijn werk wordt vergeleken met Raymond Carver, James Salter, Jhumpa Lahiri en F. Scott Fitzgerald. Dat legt de lat hoog.

Het eerste verhaal ‘De hoge pas’ speelt zich af in de ruige natuur van het Amerikaanse Noordwesten. Het is de streek waar vrijwel al deze verhalen zijn gesitueerd, wat meegenomen is want een schilderachtig landschap maakt meteen al de helft van de sfeer. Onze jeugdige hoofdpersoon hierin noemt zichzelf Ignatius van Loyola. Hij komt uit een arm milieu en compenseert dat door gewelddadigheid. Klasgenootje Donny (‘de papzak’) plukt daar de wrange vruchten van. Desondanks raken ze bevriend en gaan mee met de vader van Donny op een tocht in de bergen. Ruige natuur, mannen onder elkaar, kampvuurtjes, enfin: tijd om te biechten. Een onaangename waarheid komt naar boven die we hier niet in het openbaar brengen, maar het maakt verschillende personen behoorlijk wanhopig. Daarna scheiden zich de wegen. Uit.

Ik hield aan deze petite histoire geen blijvende herinnering over. Geen zinnen die in marmer gebeiteld mogen blijven voortbestaan, geen onverwachte wendingen, geen enkele wending zelfs; eigenlijk een heel recht vooruit opgesomde vertelling. Oké, door naar de volgende.

Drummond en zoon. Dit beklijft wel, vooral door prachtige dubbellading die de zachte worsteling van papa Drummond laat zien. De man repareert (oude) schrijfmachines, en verkoopt ze aan schrijvers. D’Ambrosio laat de oude Remingtons en Olivetti’s met liefde passeren, net als de (aspirant) schrijvers die weer ouderwets met zo’n machine aan de gang willen. Maar die liefde voor schrijfmachines wordt voor papa op één punt overtroffen: de zoon van Drummond, voor wie hij een levensbestemming zoekt. Niet makkelijk want de jongen heeft maar weinig voeling met de realiteit. Mooi gedaan.

Dan het titelverhaal. In het rauwe bonken-milieu dat de achtergrond van het hele boek vormt, (lees: in aftandse Cadillacs scheurende, halfdronken, ongewassen en naar seks hunkerende mannen in houthakkershemden) gaat een film gemaakt worden. Dat kan maar één ding zijn, inderdaad, porno. Greenfield is de regisseur en Ramage, de arme drommel, mag alles rond die film in goede banen leiden. De schrijver mixt dat met een ander onderwerp – bij de crew werkt een onderbetaalde, slecht Engels sprekende gastarbeider uit Honduras. Hij vist bij wijze van gratis voedsel elke ochtend vis op die bij het Vrijheidsbeeld in het water valt; zijn vrouw noemt wat hij meebrengt het ‘dodevissenmuseum’. Intussen komt de terzake kundige filmster aan:

“Een blonde vrouw tilde een reistas uit het busje. Greenfield knikte naar haar.

‘Mijn ster,’ zei hij.

Ramage vond dat ze eruitzag als een grove schets van iemands idee van een vrouw, de hoofdzaken enorm overdreven.”

In het laatste verhaal: ‘Het bottenspel’ schakelt D’Ambrosio in een hogere versnelling. Alle voorgaande beschrijvingen van botte rednecks en schietgrage nationalisten worden hier nog eens uitvergroot. Zo is er een gevecht tussen een visser en een wilde zalm dat herinneringen oproept aan Hemingway’s machostijl, al is dat maar een relatief klein onderdeel van die vertelling. Toch is het goed geschreven, meeslepend en getuigend van een goed inzicht in de Amerikaanse pioniersgeest. 

Sterren: ***

ISBN: 9789079770045

Uitgeverij: Karaat

Ook verschenen op De Leesclub van Alles 

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.